ECLI:NL:RBMNE:2023:6599
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning gegrond, waarde schattenderwijs vastgesteld op €375.000
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een Nederlandse woonplaats, die was vastgesteld op €381.000,- per waardepeildatum 1 januari 2021. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de WOZ-waarde, waarbij de heffingsambtenaar een taxatiematrix overlegde met vergelijkbare woningen. Hoewel de referentiewoningen vergelijkbaar waren, slaagde de heffingsambtenaar er niet in aannemelijk te maken dat de waarde van de woning niet te hoog was vastgesteld, mede vanwege onvoldoende overtuigende toelichting op de waardedrukkende gebreken en verschillen in onderhoud en voorzieningen.
Eiser kon zijn lagere voorgestelde waarde van €369.000,- niet aannemelijk maken. De rechtbank stelde daarom de waarde schattenderwijs vast op €375.000,- en bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig wordt verlaagd. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van €1.261,26 aan eiser.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt schattenderwijs vastgesteld op €375.000,- en de aanslag OZB dienovereenkomstig verlaagd.