ECLI:NL:RBMNE:2023:6759
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde bovenwoning uit 1931
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn bovenwoning uit 1931, gelegen aan een adres in een woonplaats, en vordert een lagere waarde van €295.800,-. De heffingsambtenaar handhaaft de waarde van €309.000,-, vastgesteld per 1 januari 2020 voor het belastingjaar 2021.
De rechtbank beoordeelt dat de waarde moet worden vastgesteld als de prijs in het economische verkeer, waarbij de vergelijkingsmethode wordt toegepast. De heffingsambtenaar heeft een taxatiematrix overgelegd met vier referentiewoningen die qua bouwjaar, gebruiksoppervlakte en locatie vergelijkbaar zijn. De verkoopprijzen per m² van deze woningen liggen ruim boven de waarde per m² van de woning van eiser, wat de vastgestelde WOZ-waarde ondersteunt.
Eiser voert aan dat de staat van onderhoud van zijn woning slecht is en dat er sprake is van waardedruk door een nabijgelegen coffeeshop. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met deze factoren en dat de door eiser aangevoerde bewijsstukken niet in deze procedure zijn overgelegd. Ook het verzoek om fotomateriaal van referentiewoningen is niet doorslaggevend omdat de heffingsambtenaar dit niet heeft gebruikt bij de waardebepaling.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €309.000,- wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.