ECLI:NL:RBMNE:2023:686
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarden woningen en niet-woningen met toekenning immateriële schadevergoeding
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden van meerdere woningen en niet-woningen voor het belastingjaar 2020, met waardepeildatum 1 januari 2019. De heffingsambtenaar had deze waarden vastgesteld en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2022 behandeld en beoordeelt dat de heffingsambtenaar de waarden niet te hoog heeft vastgesteld, mede gelet op de vergelijkingsmethode en de toelichtingen van taxateurs.
Eiser heeft diverse waardedrukkende omstandigheden aangevoerd, zoals betonrot, natte kelder, overlast en onderwaardering van balkons, maar heeft deze onvoldoende onderbouwd of niet aannemelijk gemaakt dat deze afwijken van referentieobjecten. De rechtbank volgt de toelichtingen van de heffingsambtenaar en taxateurs en wijst de beroepsgronden af.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met ruim tien maanden is overschreden, deels door de heffingsambtenaar en deels door de rechtbank. Gelet op het financiële belang en de aard van de zaak kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 100,-, waarvan € 67,- door de heffingsambtenaar en € 33,- door de Staat wordt betaald.
De verzoeken om vergoeding van proceskosten worden afgewezen, omdat de kosten voor rechtsbijstand omtrent de schadevergoedingverzoeken minimaal waren. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarden wordt ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding van € 100,- wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.