Eiser ontving bijstand vanaf 16 februari 2016 en kreeg later uit de erfenis van zijn moeder, die in 2003 was overleden, een niet-opeisbare vordering op zijn vader. Deze vordering werd op 31 juli 2022 te gelde gemaakt, waarna de RDWI de bijstand over de periode 2016-2022 herberekende en besloot tot terugvordering van €79.126,99 wegens onverschuldigde betaling.
Eiser voerde aan dat de RDWI geen herzienings- of intrekkingsbesluit had genomen voorafgaand aan de terugvordering, dat de vordering niet onder het middelenbegrip viel en dat hij niet geïnformeerd was over de terugvordering. De rechtbank stelde vast dat artikel 58, tweede lid, onder f, van de Participatiewet een zelfstandige terugvorderingsgrond is zonder dat een herzienings- of intrekkingsbesluit vereist is.
De rechtbank oordeelde dat het recht op het erfdeel ontstond bij het overlijden van de moeder in 2003, vóór de bijstandsaanvang, waardoor de RDWI terecht kon terugvorderen. Verder was de Beleidsregel niet van toepassing op deze terugvordering en was de RDWI niet verplicht eiser vooraf te informeren over de gevolgen van de niet-opeisbare vordering.
Eiser stelde dat de terugvordering onevenredig nadelige gevolgen had vanwege zijn overspannenheid, maar de rechtbank vond onvoldoende bewijs dat deze overspannenheid door de terugvordering was veroorzaakt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de terugvordering.