Eiseres, eigenaar van een massage- en trainingsbedrijf, ontving een Tozo-uitkering vanwege inkomensverlies door de covid-19-pandemie. Verweerder besloot echter dat zij geen recht had op de uitkering over de periode 1 oktober 2020 tot en met 30 juni 2021, omdat zij inkomsten uit nabestaandenpensioenen had die haar netto-inkomen boven het sociaal minimum brachten. Hierdoor werd een bedrag van € 8.252,47 teruggevorderd.
Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde formele en inhoudelijke gronden aan, waaronder een bevoegdheidsgebrek, onjuiste kwalificatie van een brief, schending van het vertrouwensbeginsel en het eigendomsrecht, en een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het bevoegdheidsgebrek was hersteld door het bestreden besluit, dat de brief geen herzieningsbesluit was, en dat het onderzoek naar de juistheid van de gegevens rechtmatig was.
Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat de Tozo-uitkering alleen wordt toegekend als het netto-inkomen onder het sociaal minimum ligt. Eiseres had dit niet volledig gemeld en haar inkomen lag boven de norm. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en eigendomsrecht faalde. Ook was er geen sprake van disproportionele terugvordering omdat eiseres geen dringende redenen aannemelijk had gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de terugvordering terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.