Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en kreeg structureel wekelijkse boodschappen van haar moeder, hetgeen zij niet aan het college had gemeld. De gemeente Wijdemeren vorderde daarom bijstand terug over een periode van bijna drie jaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep vernietigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel deels.
De Raad oordeelt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden over de periode van 7 april 2017 tot en met 21 juni 2018, maar niet over de periode daarvoor vanwege onvoldoende bewijs. De bijstand is daarom terecht herzien en teruggevorderd over de latere periode. Het bedrag van de terugvordering wordt vastgesteld op €2.835,41. Daarnaast was het huisbezoek van 4 mei 2018 onrechtmatig omdat er geen redelijke grond was en geen geldige toestemming werd gegeven. Het college wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €200.
Verzoeken tot schadevergoeding wegens een ander huisbezoek en onjuiste publicatie worden afgewezen wegens gebrek aan bevoegdheid van de bestuursrechter. Het college wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante en het griffierecht. De uitspraak leidt tot een gedeeltelijke vernietiging van eerdere besluiten en een definitieve vaststelling van het terugvorderingsbedrag.