ECLI:NL:RBMNE:2023:7636
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betaling vordering advocaatfactuur en ambtshalve toetsing informatie- en bedingverplichtingen
Eiser heeft een vordering ingesteld tot betaling van facturen voor juridische bijstand aan gedaagde, die deze betaling betwist. Gedaagde voert aan dat er geen overeenkomst is omdat geen ondertekende overeenkomst is overgelegd en dat hij zich niet als natuurlijke persoon identificeert.
De kantonrechter oordeelt dat juridisch geen onderscheid bestaat tussen natuurlijke persoon en levende mens en dat voldoende is gesteld dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Er is geen bewijs door gedaagde dat dit niet het geval is. Ook wordt uitgelegd dat artikel 3:33 BW Pro niet vereist dat een overeenkomst schriftelijk en ondertekend moet zijn.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de overeenkomst kwalificeert als een opdracht tussen handelaar en consument en dat daarom moet worden getoetst of aan de precontractuele informatieplichten is voldaan. Op dit moment is onvoldoende duidelijkheid over de wijze van totstandkoming en de naleving van informatieverplichtingen. Tevens moet ambtshalve worden getoetst of het kostenbeding in de overeenkomst voldoet aan de transparantievereisten van de Europese richtlijn en of het beding oneerlijk is. De kantonrechter verwijst eiser naar de rol om hierop te reageren en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden om eiser in de gelegenheid te stellen zich nader uit te laten over de ambtshalve toetsingen van informatie- en bedingverplichtingen.