Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2024 in de zaak tussen
[besloten vennootschap], uit [plaats 1] ,
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats 1] , verweerder
Inleiding
De feiten
Het geschil
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Midden-Nederland
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een kinderdagverblijf vast op €997.000,- voor het belastingjaar 2022. Eiseres, als verkrijgende rechtspersoon na een fusie, betwistte de waarde en de tenaamstelling van de aanslag. De rechtbank oordeelde dat het beroep terecht door eiseres werd ingesteld ondanks de tenaamstelling op de verdwijnende rechtspersoon, omdat zij een machtiging had verstrekt.
Eiseres voerde aan dat niet alle stukken tijdig waren verstrekt en dat de waarde te hoog was, onderbouwd met eigen taxatierapporten. De rechtbank verwierp het verwijt van procesorde-schending en stelde vast dat de heffingsambtenaar voldoende bewijs leverde met een waarderapport gebaseerd op de gecorrigeerde vervangingswaarde.
De rechtbank ging niet mee in de bezwaren over de niet-verlaagde waarde wegens het ontbreken van een noodgebouw, de levensduurverlenging van de berging, de coronacorrectie en de grondwaarde. De vastgestelde waarde werd als redelijk en niet te hoog beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van het kinderdagverblijf wordt ongegrond verklaard.