Eiser heeft beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 2 augustus 2022 om aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verweerder in gebreke is gesteld op 2 oktober 2023. Eiser heeft vervolgens tijdig beroep ingesteld. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 en stelt de reeds opgelopen dwangsom vast op €1.442. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan eiser.
De rechtbank volgt hierbij de uitgangspunten van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij voor aanvragen aanvullende compensatie geen vooraankondiging verplicht is en een termijn van twaalf weken na het verweerschrift geldt, waarvan minimaal zes weken na de uitspraak op het beroep.
De uitspraak is gedaan door rechter B. Fijnheer en griffier M.E.C. Bakker en is uitgesproken op 29 maart 2024.