ECLI:NL:RBMNE:2024:2611
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering met 58,71% vastgesteld
Eiser, een voormalig fulltime schoonmaker, meldde zich op 3 januari 2019 ziek. Na beëindiging van zijn Ziektewet-uitkering vroeg hij op 28 april 2022 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek een arbeidsongeschiktheidspercentage van 54,58% vast, later bij bezwaar verhoogd naar 58,71%.
Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat zijn beperkingen, waaronder astma, OSAS, nekhernia en fibromyalgie, onvoldoende waren meegewogen, met name op preventieve gronden en urenbeperking. De rechtbank oordeelde dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts zorgvuldig en begrijpelijk was en dat de klachten van eiser niet medisch objectiveerbaar waren onderbouwd voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
Ook de door eiser aangevoerde beperkingen aan het houdings- en bewegingsapparaat waren reeds opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die door het UWV was overgenomen. De arbeidsdeskundige had de arbeidsongeschiktheid op 58,71% vastgesteld op basis van passende functies en inkomsten.
De rechtbank concludeerde dat het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht had vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser 58,71% arbeidsongeschikt is per 31 december 2020.