Opposante heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Belastingdienst over de compensatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank heeft op 19 mei 2023 het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen uiterlijk 1 juli 2024 een besluit te nemen. Opposante ging in verzet tegen deze uitspraak vanwege een lopend hoger beroep dat de beslistermijn mogelijk zou wijzigen.
De rechtbank beoordeelde in het verzet of de eerdere beslissing zonder zitting was genomen met voldoende zekerheid over de uitkomst. De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn tot 1 juli 2024 niet gehandhaafd kan blijven vanwege de omvang van de hersteloperatie toeslagen en stelde een nieuwe termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak vast.
Verweerder wordt verplicht binnen deze termijn een besluit te nemen en een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd bij overschrijding. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens tot vergoeding van proceskosten in verzet en beroep en tot vergoeding van het griffierecht. Het verzet en beroep worden gegrond verklaard en de eerdere uitspraak vervalt.