Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de korpschef om hem geen toestemming te verlenen voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wpbr. De korpschef heeft de toestemming geweigerd vanwege een veroordeling van eiser voor rijden onder invloed op 22 september 2022, waarbij hij een voorwaardelijke geldboete, hechtenis en rijontzegging kreeg opgelegd.
De korpschef heeft de terugkijktermijn van vier jaar teruggebracht naar twee jaar, omdat eiser spijt betuigde, geen alcohol meer gebruikte en perspectief kreeg om weer als beveiliger te werken. Eiser stelde dat de terugkijktermijn nihil of enkele maanden had moeten zijn vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, het feit dat het een eerste overtreding betrof en de aard van het strafbare feit.
De rechtbank oordeelt dat de korpschef binnen zijn beleidsruimte heeft gehandeld en dat alleen omstandigheden die relevant zijn voor betrouwbaarheid en bekwaamheid mogen worden meegewogen. Omdat eiser zich na de overtreding opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van de Wegenverkeerswet, is de termijn van twee jaar gerechtvaardigd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter B. Fijnheer op 29 april 2024.