Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
Inleiding
Procesverloop
€ 4.374.000,-. In een andere beschikking van 31 maart 2021 (het primaire besluit 2) heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van dit object voor het belastingjaar 2021 naar de waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 4.322.000,-. De heffingsambtenaar heeft tegelijk met beide beschikkingen in dezelfde geschriften aan eiseres als eigenaar van dit object ook de aanslagen onroerende-zaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarden als heffingsmaatstaf zijn gehanteerd.
Overwegingen
WOZ-beschikkingen. De rechtbank legt dit hierna uit.
WOZ-beschikking geven. Ook kan de heffingsambtenaar een nieuwe aanslag onroerende-zaakbelastingen opleggen, als de termijn van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) nog niet is verstreken. Indien deze termijn wel is verstreken, kan de heffingsambtenaar - naar aanleiding van een voor het juist afgebakende object gegeven nieuwe WOZ-beschikking - de te weinig geheven belasting navorderen op grond van het bepaalde in artikel 18a, tweede en derde lid, van de AWR. [2]