ECLI:NL:RBMNE:2024:3551

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2024
Publicatiedatum
6 juni 2024
Zaaknummer
UTR 22/2691, UTR 22/2692, UTR 22/2693, UTR 22/2694, UTR 22/2695, UTR 22/2696, UTR 22/2697
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:72 BWArt. 3:79 BWWet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep WOZ-beschikking wegens ontbreken vertegenwoordiging erfgenamen

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep tegen de WOZ-beschikking voor meerdere objecten, waarbij de waarde van deze objecten was vastgesteld voor het belastingjaar 2021. De eiser had bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde en tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Echter, de eiser is in 2023 overleden, waardoor de volmacht die hij had om namens de executeur-testamentair op te treden, is geëindigd. De rechtbank heeft de eiser verzocht aan te tonen dat de erfgenamen de procedure wensen voort te zetten, onder meer door een verklaring van erfrecht of volmacht van alle erfgenamen.

De eiser heeft niet tijdig voldoende bewijs geleverd dat de erfgenamen instemmen met voortzetting van de procedure. Ondanks de gelegenheid om dit te herstellen, kon de rechtbank niet vaststellen dat de procedure namens de erfgenamen wordt voortgezet. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en gaat niet in op de inhoudelijke beoordeling.

Verzoeken om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding wegens misbruik van procesrecht zijn afgewezen. De uitspraak is mondeling gedaan op 13 mei 2024 en partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van aantoonbare vertegenwoordiging door erfgenamen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 22/2691, UTR 22/2692, UTR 22/2693, UTR 22/2694,
UTR 22/2695, UTR 22/2696, UTR 22/2697

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

13 mei 2024 in de zaak tussen

[eiser] , veronderstellenderwijs handelend namens

de erven van [executeur-testamentair], uit [plaats 2] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar
(gemachtigde: D.J. Koopmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 13 april 2022
1.1.
In de beschikking van 28 februari 2021 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de objecten voor het belastingjaar 2021,
naar de waardepeildatum 1 januari 2020 als volgt vastgesteld:
Zaak-nummer
Object
WOZ-waarde
22/2691
[adres 1] , [plaats 1]
€ 277.000,-.
22/2692
[adres 2] , [plaats 1]
€ 293.000,-.
22/2693
[adres 3] , [plaats 1]
€ 277.000,-.
22/2694
[adres 4] , [plaats 1]
€ 293.000,-.
22/2695
[adres 5] , [plaats 1]
€ 167.000,-.
22/2696
[adres 6] , [plaats 1]
€ 446.000,-.
22/2697
[adres 7] , [plaats 2]
€ 372.000,-.
1.2.
Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze objecten ook aanslagen onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij de WOZwaarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.3.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 13 april 2022 (het bestreden besluit) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard en het volgende beslist:
  • De WOZ-beschikking van [adres 1] , is vernietigd;
  • De waarde van [adres 2] , is verlaagd naar € 247.000,-;
  • De waarde van [adres 3] , is verlaagd naar € 247.000,-;
  • De waarde van [adres 4] , is verlaagd naar
  • € 149.000,-;
  • De waarde van [adres 5] , is gehandhaafd;
  • De waarde van [adres 6] , [plaats 1] is gehandhaafd;
  • De waarde van [adres 7] , [plaats 2] is gehandhaafd.
1.4.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en heeft taxatiematrices ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft de zaak op 13 mei 2024 met behulp van een beeldverbinding op een zitting behandeld. [eiser] was aanwezig. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door D.J. Koopmans, vergezeld door [taxateur 1] en [taxateur 2] (taxateurs).
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarbij is gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

3. Het beroep is ingesteld door [eiser] . [eiser] heeft bij brief van 28 november 2022 een volmacht overgelegd waaruit blijkt dat [executeur-testamentair] [eiser] heeft gemachtigd om (onder meer) beroep in te stellen.
4. [executeur-testamentair] is op [overlijdensdatum] 2023 overleden. Hierdoor is de volmacht van [executeur-testamentair] aan [eiser] geëindigd. [1] De rechtbank moet daarom vaststellen of zijn erfgenamen deze procedure willen voortzetten.
5. De rechtbank heeft bij brief van 29 april 2024 [eiser] bericht dat het beroep niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De rechtbank heeft hem in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 8 mei 2024 een verklaring van erfrecht te overleggen, waaruit volgt wie de erfgenamen mag vertegenwoordigen. Ook is aanbevolen om als er meerdere erfgenamen zijn tevens van alle erfgenamen een volmacht in te dienen.
6. In deze brief is nadrukkelijk vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, indien het geconstateerde gebrek niet tijdig wordt hersteld.
7. [eiser] heeft bij brief van 10 mei 2024 gereageerd op de brief van
29 april 2024 en diverse stukken overgelegd, onder meer een e-mail van mevrouw [A] . Daarin deelt zij aan [eiser] mee dat zij de executeur-testamentair is en dat er geen verklaring van erfrecht is, omdat [executeur-testamentair] ’ kinderen niet meewerken.
8. De rechtbank kan op basis van de overgelegde informatie niet vaststellen dat de erfgenamen van eiser [eiser] hebben gemachtigd om namens hen op te treden. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt wie de erfgenamen zijn en dat zij ermee instemmen dat deze procedure door [eiser] voortgezet wordt. Ook de enkele mededeling dat mevrouw [executeur-testamentair] executeur-testamentair is, is niet voldoende. Dit is namelijk niet aangetoond door bijvoorbeeld een verklaring van erfrecht, eisers testament, of een verklaring van executele. [2] Uit de overige door [eiser] op 10 mei 2024 overgelegde stukken, waarvan hij tijdens de zitting heeft gesteld dat die het belang van het voortzetten van de procedure aantonen, kan ook niet worden afgeleid dat de erfgenamen van eiser de procedure willen voortzetten.
9. [eiser] heeft op de zitting aangegeven dat hij vanwege de vakantieperiode niet de mogelijkheid had om binnen de gestelde termijn het gebrek te herstellen. Ook heeft hij aangegeven dat er vanwege persoonlijke omstandigheden binnen de familie van eiser op dit moment geen eenduidige verklaring van erfrecht opgemaakt kan worden. De rechtbank kan dat niet volgen en vindt dat [eiser] voldoende tijd had om tussen het overlijden van eiser, op [overlijdensdatum] 2023, en de zitting op 13 mei 2023, de juiste stukken over te leggen.
10. Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure niet toereikend is aangetoond dat de erfgenamen van eiser willen dat [eiser] de procedure verder namens hen voert, terwijl [eiser] wel in de gelegenheid is gesteld om dat verzuim te herstellen. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
11. [eiser] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat de erfgenamen van eiser het beroep wensten voort te zetten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat de erfgenamen van eiser immateriële schade hebben geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
12. Verder heeft de heffingsambtenaar de rechtbank verzocht om [eiser] in de proceskosten van de heffingsambtenaar te veroordelen wegens misbruik van procesrecht. Deze kosten bedragen 2 x € 75,- per bezwaardossier, per object, voor het inhuren van een extern persoon die specifiek zaken van deze gemachtigde behandelt. Daarbij wijst de heffingsambtenaar op uitspraken van de rechtbank Rotterdam [3] en het gerechtshof Den Haag [4] over het procedeergedrag van gemachtigde. Hoewel [eiser] in de fase voor het onderzoek ter zitting op bedroevende wijze procedeert ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat sprake is van misbruik van procesrecht. Ook anderszins is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van [eiser] of eiser. De rechtbank verwijst naar uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [5] en van de meervoudige kamer van deze rechtbank [6] . De rechtbank wijst dit verzoek af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2024 door
mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Stumpel, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3:72 juncto Pro 3:79 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1594.
3.Uitspraak van 3 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2011.
4.Uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:5547.
5.Uitspraak van 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:674.
6.Uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2562.