De heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum stelde de WOZ-waarden van zes appartementen per 1 januari 2019 vast voor het belastingjaar 2020. Belanghebbende, eigenaar en verhuurder van deze appartementen, maakte bezwaar tegen deze waarden, dat werd afgewezen. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Belanghebbende stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de zitting op 11 januari 2023 werden de standpunten van partijen toegelicht. Belanghebbende vorderde een verhoging van de WOZ-waarden met €7.500 per appartement, maar kon deze niet met concrete gegevens onderbouwen. De heffingsambtenaar verwees naar een door een gediplomeerd WOZ-taxateur opgestelde waardematrix, waarin vergelijkingsobjecten werden gebruikt om de waarden te bepalen.
Het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarden niet te laag zijn. De door belanghebbende ingebrachte argumenten, waaronder een laat ingebrachte kritiek op standaardwaarderingen, werden als te laat en onvoldoende gemotiveerd beoordeeld. Daarnaast werd het standpunt van misbruik van procesrecht door belanghebbende verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd zonder proceskostenveroordeling.