Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag van 19 januari 2022. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en dat eiseres haar beroep tijdig heeft ingediend na ingebrekestelling.
De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vastgestelde termijnen een besluit moet nemen. Dit houdt in dat uiterlijk 6 september 2024 een schriftelijke vooraankondiging moet worden gedaan, gevolgd door een besluit binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze of het verstrijken van de reactietermijn.
Voor elke dag dat verweerder deze termijnen overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 218,75, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 51,-.
De rechtbank wijst het beroep toe, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op om binnen de gestelde termijnen alsnog een besluit te nemen. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Vollebregt-Kuipers en uitgesproken op 18 juli 2024.