AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Pleegouders niet ontvankelijk in verzoek tot wijziging voogdij door gecertificeerde instelling
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van pleegouders om wijziging van de voogdij over een minderjarige, waarbij de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland als voogd is benoemd. De pleegouders wilden de voogdij beëindigd zien of een bijzondere curator benoemd krijgen om aanvullende hulpverlening te onderzoeken.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot wijziging van de voogdij op grond van artikel 1:328 BWPro niet ontvankelijk is, omdat dit artikel niet ziet op wijziging maar op beëindiging van de voogdij. Ontslag van de voogd is alleen mogelijk op grond van artikel 1:322 BWPro en kan alleen worden aangevraagd door een bevoegd persoon die bereid is de voogdij over te nemen, wat hier niet het geval was.
Daarnaast wees de rechtbank het subsidiaire verzoek tot benoeming van een bijzondere curator af, omdat een bijzondere curator niet geschikt is om te beoordelen of de gecertificeerde instelling nog de juiste voogd is of om passende hulpverlening te onderzoeken. De rechtbank vond dat een bijzondere curator waarschijnlijk belastend zou zijn voor de minderjarige.
De beslissing werd genomen door drie kinderrechters en de griffier en is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2024. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na de uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank verklaart pleegouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wijziging van de voogdij en wijst het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator af.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/575467 / FO RK 24-601
Beschikking van 4 september 2024
in de zaak van:
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen: de GI,
betreffende
[minderjarige], geboren op [2009] te [geboorteplaats] (Egypte),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de heer [pleegouder 1] en mevrouw [pleegouder 2],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders,
advocaat: mr. M. Kramer.
1.De procedure
1.1.
De rechtbank heeft op 13 juni 2024, 9 juli 2024 en 18 juli 2024 een tussenbeschikking gegeven. Bij tussenbeschikking van 13 juni 2024 heeft de rechtbank de GI in de gelegenheid gesteld om de verzoeken te wijzigen dan wel in te trekken, dan wel, bij handhaving van de verzoeken, die verzoeken nader te onderbouwen. Bij tussenbeschikking van 9 juli 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek van de GI om toestemming tot wijziging in het verblijf van [minderjarige] aangehouden en het verzoek van de GI om toestemming tot plaatsing van [minderjarige] buiten Nederland afgewezen. Bij tussenbeschikking van 18 juli 2024 heeft de rechtbank het verzoek van de GI om toestemming tot wijziging in het verblijf van [minderjarige] afgewezen en bepaald dat deze beslissing van kracht is voor de duur van zes maanden met ingang van de datum van de beschikking. Daarnaast heeft de rechtbank de GI in de gelegenheid gesteld om een schriftelijk verzoek tot ontslag van de voogdij over [minderjarige] in te dienen als bedoeld in artikel 1:322, lid 1, onder c BW, voorzien van een schriftelijke bereidverklaring om de voogdij over te nemen, en de verdere beslissing aangehouden tot 15 augustus 2024 in afwachting van het bericht van de GI.
1.2.
De rechtbank heeft daarna geen schriftelijk verzoek tot ontslag van de GI ontvangen.
1.3.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een nadere mondelinge behandeling.
2.De feiten
2.1.
[minderjarige] is de zoon van [A] en [B] .
2.2.
De ouders waren gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Bij beschikking van deze rechtbank van 8 februari 2022, hersteld bij beschikking van
3 mei 2022, is het ouderlijk gezag van de ouders beëindigd en is de GI benoemd als voogd over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woonde de afgelopen vierenhalf jaar in het gezin van de pleegouders. Sinds
12 april 2024 verblijft hij in een noodvoorziening van [instelling] .
3.Het verzoek
3.1.
De rechtbank moet nog beslissen op de zelfstandige verzoeken van de pleegouders om:
primair:te bepalen tot wijziging van de GI/beëindiging van de voogdij door Samen Veilig Midden-Nederland op grond van artikel 1:328 BWPro;
subsidiair:te bepalen dat er een bijzondere curator wordt benoemd ten behoeve van [minderjarige] met als opdracht te onderzoeken welke aanvullende hulpverlening het meest passend is voor [minderjarige] en onderzoek kan doen of Samen Veilig Midden-Nederland nog wel de aangewezen GI is om de belangen van [minderjarige] te behartigen.
4.De beoordeling
Wijziging van de GI/beëindiging van de voogdij door Samen Veilig Midden-Nederland
4.1.
De rechtbank zal pleegouders niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek tot wijziging van de GI/beëindiging van de voogdij door Samen Veilig Midden-Nederland op grond van artikel 1:328 BWPro.
4.2.
Zoals de rechtbank in de tussenbeschikking van 18 juli 2024 al heeft overwogen, is het artikel op grond waarvan de pleegouders het verzoek doen, niet van toepassing. Dat artikel ziet namelijk op beëindiging van de voogdij en niet op wijziging van de voogd. Ontslag van de voogd is mogelijk op grond van artikel 1:322 BWPro. Een voogd, in dit geval de GI, kan zich op grond van lid 1, sub c, van artikel 1:322 BWPro laten ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarige acht. De pleegouders kunnen dit verzoek niet doen. Daarom zullen de pleegouders in hun verzoek
niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.3.
De rechtbank heeft de GI tot 15 augustus 2024 in de gelegenheid gesteld om een verzoek tot ontslag bij de rechtbank in te dienen. De GI heeft geen verzoek ingediend. Zonder verzoek kan de rechtbank de GI niet ontslaan en ook niet een andere GI met de voogdij over [minderjarige] belasten.
Bijzondere curator
4.4.
De rechtbank zal het (subsidiaire) verzoek van de pleegouders om een bijzondere curator te benoemen afwijzen.
4.5.
Een bijzondere curator is niet geëquipeerd om te onderzoeken of Samen Veilig Midden-Nederland nog wel de aangewezen GI is om de belangen van [minderjarige] te behartigen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een bijzondere curator te benoemen om te onderzoeken welke aanvullende hulpverlening het meest passend is voor [minderjarige] of om op een andere manier de belangen van [minderjarige] te behartigen. Er zijn al veel hulpverleners betrokken en [minderjarige] maakt heel moeilijk contact. Een bijzondere curator zal daarom vermoedelijk vooral belastend voor [minderjarige] zijn.
5.De beslissing
De rechtbank:
5.1.
verklaart pleegouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot wijziging van de GI/beëindiging van de voogdij door Samen Veilig Midden-Nederland op grond van artikel 1:328 BWPro;
5.2.
wijst het verzoek van de pleegouders tot benoeming van een bijzondere curator af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. T. Dopheide (voorzitter),
mr. G. van de Beek en mr. R.M. Maliepaard, (kinder)rechters in samenwerking met
mr. J.M. van de Griendt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken en schriftelijk uitgewerkt op 4 september 2024.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.