Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
135,00
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser trad op 17 maart 2022 in dienst bij gedaagde voor 17 maanden, met einde op 16 augustus 2024. Vanaf april 2024 voerden partijen gesprekken over de arbeidsomvang en het salaris, wat leidde tot een regeling op 25 juli 2024 voor nabetaling van salaris en vakantiegeld over april tot augustus 2024.
Ondanks sommatie op 2 september 2024 betaalde gedaagde niet, waarna eiser dagvaarding in kort geding uitbracht. Na dagvaarding betaalde gedaagde het achterstallig salaris (€6.138,13) en vakantiegeld (€1.540,70), maar niet de wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten.
De kantonrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft en dat gedaagde al op 24 augustus 2024 een deel van het salaris had kunnen betalen. Daarom wordt de wettelijke verhoging over de periode 24 augustus tot 24 september 2024 toegewezen, evenals de wettelijke rente over de hoofdsom en verhoging. Tevens worden buitengerechtelijke incassokosten van €1.000 en proceskosten van €1.036,97 aan eiser toegewezen.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en gedaagde is veroordeeld tot betaling binnen veertien dagen na aanschrijving, met bijkomende kosten bij niet-tijdige betaling.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten wegens te late salarisbetaling.