ECLI:NL:RBMNE:2024:6030
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen terugvordering tweede Ziektewet-uitkering wegens ontbreken dringende redenen
Eiseres was pedagogisch medewerker en ontving een eerste Ziektewet-uitkering (ZW) na haar ziekmelding. Na beëindiging van haar arbeidscontract ontving zij een WW-uitkering en vervolgens een tweede ZW-uitkering vanuit de WW. Na succesvol bezwaar tegen het beëindigen van de eerste ZW-uitkering, werd vastgesteld dat zij geen recht had op de WW-uitkering en de daaropvolgende tweede ZW-uitkering. Het UWV herzag en vorderde de tweede ZW-uitkering terug.
Eiseres voerde aan dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk was dat zij teveel had ontvangen en beriep zich op dringende redenen om terugvordering te voorkomen. De rechtbank overwoog dat de herziening en terugvordering conform de Beleidsregels 2006 rechtmatig waren, ook met terugwerkende kracht, vanwege het vervallen recht op de tweede uitkering.
De rechtbank volgde de recente ruimere uitleg van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over dringende redenen, waarbij een belangenafweging plaatsvindt op basis van algemene bestuursrechtelijke beginselen. De rechtbank concludeerde dat de financiële nadelen voor eiseres niet onevenredig zijn en dat het UWV geen eigen aandeel had in de fout. Ook was sprake van een betalingsregeling en bescherming van de beslagvrije voet.
Daarom was er geen dringende reden om af te zien van terugvordering. Het beroep werd ongegrond verklaard en het UWV mocht het bedrag van € 2.700,49 terugvorderen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de terugvordering van de tweede Ziektewet-uitkering wordt ongegrond verklaard.