ECLI:NL:RBMNE:2024:6167
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling WIA-maandloon ondanks ouderschapsverlof
Eiseres, werkzaam als verzorgende IG, viel per 30 juni 2020 ziek uit en vroeg op 1 april 2022 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde het WIA-maandloon vast op € 794,09, wat mede de hoogte van haar uitkering bepaalt. Eiseres betwistte de berekening, met name vanwege onbetaald ouderschapsverlof in de referteperiode juni 2019 tot mei 2020, en stelde dat het loon daardoor niet representatief was.
De rechtbank onderzocht of het UWV de wet- en regelgeving juist had toegepast. Volgens de Wet WIA en het Dagloonbesluit is het loon in het jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid bepalend, waarbij bij ouderschapsverlof de loonperiode direct na het verlof als referentie geldt. Het UWV hanteerde terecht de periode 1 juni 2019 tot 31 mei 2020 en verving de loonperiode tijdens het verlof door de maand december 2019.
Eiseres voerde aan dat onregelmatigheidstoeslag, arbeidsomvang en eindejaarsuitkering onvoldoende waren meegenomen, maar de rechtbank vond dat het UWV dit conform regelgeving juist had verwerkt. Ook de afwijkingen in WW- en WAZO-uitkeringen waren verklaarbaar en boden geen aanleiding tot twijfel.
De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die toepassing van de wettelijke regels onredelijk bezwarend maakten. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het UWV-besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot vaststelling van het WIA-maandloon blijft in stand.