Appellante was tot oktober 2017 in loondienst en ontving vanaf november 2017 een WW-uitkering. Met toestemming van het UWV startte zij in januari 2018 als zelfstandige met behoud van WW, waarbij zij vanaf juli 2018 ziek werd gemeld. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid, maar kende na bezwaar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een dagloon gebaseerd op een refertejaar van juli 2017 tot juni 2018.
Appellante betwistte de hoogte van het dagloon omdat de WW-uitkering in de referteperiode met 29% was verlaagd door toepassing van de startersregeling, wat volgens haar onterecht doorwerkte in het WIA-dagloon. De rechtbank wees het beroep af, stellende dat de startersregeling een eigen keuze was en geen sanctie, en dat het Dagloonbesluit correct was toegepast.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat de verlaging van de WW-uitkering door de startersregeling niet gelijk is aan een door het UWV opgelegde sanctie en dat het dagloon op basis van het feitelijk genoten loon in de referteperiode wordt vastgesteld. Dit is in lijn met vaste jurisprudentie en vormt geen onredelijke toepassing van het Dagloonbesluit. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard.