De zaak betreft de vraag of het standaardkarakter van de cao voor het Beroepsgoederenvervoer zich verzet tegen een persoonlijke toeslag en de afbouw daarvan na een overgang van onderneming. [Eiser] trad in 1999 in dienst bij [bedrijf 1] zonder cao, waarna hij in 2014 via overgang bij [gedaagde] kwam met toepassing van de cao en een persoonlijke toeslag die werd afgebouwd met cao-loonsverhogingen. Na meerdere overgangen bleef deze regeling van kracht.
[Eiser] vordert nabetaling van de volledige toeslag, stellende dat de afbouw onrechtmatig is en verwijzend naar een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden dat de afbouw onrechtmatig achtte voor een collega. [Gedaagde] verzet zich en stelt dat de toeslag rechtsgeldig is toegekend en de afbouwregeling niet tot verslechtering van arbeidsvoorwaarden leidt.
De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van rechtsverwerking en sluit aan bij het oordeel dat de toekenning van de toeslag rechtsgeldig is. Anders dan het hof is de kantonrechter van oordeel dat de afbouwregeling niet leidt tot verslechtering van de arbeidsvoorwaarden, omdat [eiser] het loonniveau behield dat hij bij [bedrijf 1] had en geen recht had op loonsverhogingen. De vorderingen worden afgewezen en [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten.