ECLI:NL:RBMNE:2024:6680

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2024
Publicatiedatum
9 december 2024
Zaaknummer
24/6587
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Paragraaf 8.8 Regeling eisen geschiktheid 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verklaring van rijgeschiktheid wegens alcoholmisbruik

Verzoekster is aangehouden wegens een overtreding van de Wegenverkeerswet en haar rijbewijs is geschorst door het CBR. Bij een bloedonderzoek werd een verhoogde CDT-waarde vastgesteld, wat duidt op alcoholmisbruik. De psychiater concludeerde dat verzoekster een stoornis in het alcoholgebruik heeft en niet rijgeschikt is.

Het CBR weigerde daarom een verklaring van geschiktheid af te geven. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het CBR terecht is uitgegaan van het psychiatrisch rapport en dat de weigering niet onevenredig is, gezien het algemene belang van verkeersveiligheid.

Daarnaast achtte de voorzieningenrechter de recidiefvrije periode van een jaar passend en noodzakelijk om te beoordelen of het alcoholgebruik is gestaakt. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, en er is geen mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van het CBR om een verklaring van rijgeschiktheid af te geven wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6587
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.G. Ronteltap),
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)

(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).

Inleiding

1. Verzoekster is op 2 juli 2022 aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
2. Bij besluit van 12 augustus 2022 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.
3. Bij besluit van 25 juli 2024 (primair besluit) heeft verweerder geweigerd aan verzoekster een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorvoertuigen van de categorieën B/T af te geven.
4. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het CBR.
7. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
.
9. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het CBR van het rapport van de psychiater uit mogen gaan. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat bij het bloedonderzoek op 18 juni 2024 een afwijkende bloedwaarde (CDT-waarde 6,2%) werd aangetroffen. Dit is een indicatie voor alcoholmisbruik. Er is geen andere reden voor de hoge CDT-waarde. De psychiater concludeert op grond van zijn onderzoek en de CDT-waarde dat er sprake is van een stoornis in het alcoholgebruik en van alcoholmisbruik. Hierdoor kon de psychiater verzoekster niet rijgeschikt verklaren. Het CBR heeft zich ervan vergewist dat het onderzoek zorgvuldig en correct is uitgevoerd, en dat de conclusies van de keurend arts door de bevindingen bij het onderzoek worden gedragen. De keurend arts heeft op basis van de anamnese en de uitkomst van het bloedonderzoek geoordeeld dat het misbruik nog niet is gestaakt. Ingevolge de Regeling eisen geschiktheid 2000 kan geen Verklaring van geschiktheid afgegeven worden wanneer uit het rapport volgt dat de betrokkene misbruik maakt van alcohol.
10. De voorzieningenrechter is het met verzoekster eens dat gekeken moet worden naar de evenredigheid van het besluit. [1] Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het weigeren van een verklaring van geschiktheid voor verzoekster gevolgen heeft, het is bijvoorbeeld moeilijk om daardoor op tijd op haar werk te komen waardoor zij het risico loopt haar baan te verliezen, werkt de Regeling eisen geschiktheid niet onevenredig. De Regeling beschermt het algemene belang van de verkeersveiligheid en de situatie van verzoekster is niet anders dan die van andere personen die niet meer over hun rijbewijs kunnen beschikken en daarvan voor hun werk afhankelijk zijn. Gelet op het voorgaande is de weigering van de verklaring van geschiktheid niet onevenredig.
11. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat het CBR uit mag gaan van een recidiefvrije periode van een jaar [2] voordat verzoekster weer rijgeschikt kan worden verklaard. Die periode vindt de voorzieningenrechter niet onevenredig, omdat uit bloedonderzoek uit 2022 ook al een CDT-waarde van 6.2% bleek. Het hanteren van de recidiefvrije periode van een jaar is dan ook noodzakelijk en geschikt om te beoordelen of verzoekster haar alcoholgebruik (in voldoende mate) heeft gestaakt.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. Het CBR mag er van uitgaan dat verzoekster nog niet rijgeschikt is. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
13. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open staat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2024 door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000.