ECLI:NL:RVS:2023:830
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens alcoholmisbruik ondanks medische situatie appellant
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) verklaarde het rijbewijs van appellant per 3 september 2021 ongeldig vanwege alcoholmisbruik, vastgesteld door specialistisch onderzoek. Hoewel het alcoholmisbruik op 13 januari 2021 was gestopt, geldt een recidiefvrije periode van een jaar voordat herkeuring mogelijk is. Appellant betwistte dit besluit, omdat zij haar rijbewijs nodig heeft voor medische behandelingen en vanwege haar complexe medische situatie.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het CBR terecht de recidiefvrije periode toepaste en dat appellant onvoldoende objectieve gegevens had aangeleverd om het evenredigheidsbeginsel te doorbreken. De rechtbank oordeelde dat het CBR niet verplicht is rekening te houden met de medische behandeltrajecten van appellant.
In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak. Hoewel erkend werd dat appellant belang heeft bij een maatwerkoplossing vanwege haar medische situatie, weegt het algemeen belang van verkeersveiligheid zwaarder. De Afdeling oordeelde dat de Regeling eisen geschiktheid 2000, ondanks de formele eis van een recidiefvrije periode, buiten toepassing kan worden gelaten bij onevenredigheid, maar dat in dit geval geen sprake is van onevenredige gevolgen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het rijbewijs blijft ongeldig wegens alcoholmisbruik en toepassing van de recidiefvrije periode.