ECLI:NL:RBMNE:2024:725
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing paspoortaanvragen minderjarige kinderen wegens niet tijdig DNA-bewijs biologisch vaderschap
Eiser heeft paspoortaanvragen ingediend voor zijn twee minderjarige kinderen, die volgens hem biologisch van hem zijn. De minister stelde deze aanvragen buiten behandeling omdat de kinderen niet het Nederlanderschap bezitten. Dit volgt uit artikel 4, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, dat vereist dat het biologisch vaderschap binnen een jaar na erkenning wordt aangetoond met DNA-bewijs van een geaccrediteerd laboratorium.
Eiser erkende de kinderen in 2018, maar overhandigde het DNA-bewijs pas in 2022, ruim na de wettelijke termijn. Hij voerde aan dat deze termijn in strijd is met Europees recht en dat hij door omstandigheden zoals de oorlog in Oekraïne en de coronapandemie niet eerder kon voldoen aan de eis. De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 2017 en oordeelt dat de wettelijke termijn niet onredelijk is en niet in strijd met het Europees recht.
De rechtbank overweegt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd dat hij binnen de jaartermijn het biologisch vaderschap heeft aangetoond en dat de minister terecht de aanvragen buiten behandeling heeft gelaten. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen faalt, omdat eiser niet kon aantonen dat hij door de ambassade verkeerd is geïnformeerd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het besluit van de minister in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de paspoortaanvragen buiten behandeling te laten blijft in stand.