ECLI:NL:RBMNE:2024:7502

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2024
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
UTR 23/4791
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 9.1, tweede lid, Wet hersteloperatie toeslagenArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-overname van schulden op grond van Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van Dienst Toeslagen om haar aanvraag tot overname van schulden af te wijzen, omdat de betreffende leningen niet opeisbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat opeisbaarheid een vereiste is volgens artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) en dat het causale verband met de toeslagaffaire niet relevant is voor de beoordeling van de overname van schulden.

Eiseres betoogt dat het vereiste van opeisbaarheid niet verenigbaar is met het doel van de regeling, die gericht is op een nieuwe start voor gedupeerden, en wijst op onbillijke gevolgen en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank benadrukt echter dat zij niet bevoegd is om wetten aan algemene rechtsbeginselen te toetsen en dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het criterium opeisbaarheid.

De rechtbank stelt vast dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Hoewel eiseres financiële en gezondheidsproblemen aanvoert, zijn deze niet concreet onderbouwd in het dossier. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie en bevestigt dat de regeling niet bedoeld is om gedupeerden volledig vrij te stellen van hun schulden.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor Dienst Toeslagen niet hoeft over te gaan tot schuldenovername en eiseres geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de schulden worden niet overgenomen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4791

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2024 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. E.J. Joosten),
en

Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om overname van haar schulden.
1.1.
Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 1 januari 2001 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 september 2023 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Dienst Toeslagen heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt geteld dat twee schulden van eiseres niet worden overgenomen. Het gaat daarbij om schulden bij ING en Qander Consumer Finance. Ten aanzien van beide schulden bestaat geen betalingsachterstand, waardoor de lening (de hoofdsom) niet opeisbaar is. Die opeisbaarheid is wel een vereiste op grond van artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Het causale verband tussen het ontstaan van de schulden en de Kinderopvangtoeslagaffaire speelt geen rol bij de beoordeling of schulden in aanmerking komen voor vergoeding. De bedoeling is dat ouders een nieuwe start kunnen maken. Het is niet het doel van de regeling om ouders te vrijwaren van betalingsverplichtingen. In dit geval zijn er geen bijzondere omstandigheden die nopen tot toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9, tweede lid, van de Wht.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat het gestelde motiveringsgebrek niet als aparte beroepsgrond is bedoeld. Voor zover het een beroepsgrond is, heeft eiseres deze grond laten vallen.
Evenredigheid en het vereiste van opeisbaarheid
5. Eiseres stelt dat het vereiste van opeisbaarheid niet is te verenigen met het doel van de regeling. De Wht heeft onder andere als doel dat gedupeerden een nieuwe start kunnen maken, dat ze erkenning krijgen, dat ze financieel herstel krijgen, dat er rekening wordt gehouden met de menselijke maat, dat er sprake is van ruimhartigheid en dat de toekomst van kinderen veilig wordt gesteld. Hier ziet eiseres niets van terug. Het is onevenredig hoe het bestreden besluit op grond van de Wht voor eiseres uitpakt. Eiseres wijst hierbij ook op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2024 [1] en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024 [2] .
6. De rechtbank mag toepassing van artikel 4.1 van de Wht niet aan het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel toetsen. In artikel 120 van Pro de Grondwet is namelijk bepaald dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. In de rechtspraak is recent nogmaals bevestigd dat dit toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan algemene rechtsbeginselen. [3]
7. Uit rechtspraak [4] volgt ook dat aanleiding kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn meegenomen in de afweging van de wetgever. Dat is het geval als die niet meegenomen bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [5]
8. In dit geval is er geen sprake van onevenredige gevolgen en gelijkheidsbezwaren ten aanzien van de vereisten van artikel 4.1 van de Wht die niet zijn voorzien. Uit de totstandkoming van de schuldenregeling in de Wht kan namelijk worden opgemaakt dat die regeling is bedoeld om gedupeerden tegemoet te komen die als gevolg van privaatrechtelijke schulden nog steeds te maken hebben met deurwaarders en schuldenproblematiek. Ook volgt daaruit dat hoofdsommen van leningen niet worden overgenomen of betaald, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden. Dit om te voorkomen dat de schuldeiser voor die opeisbare hoofdsom alsnog incassomaatregelen neemt en de gedupeerde ouder daardoor in de problemen komt. [6] Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat zich in dit geval geen bijzondere niet verdisconteerde omstandigheden voordoen, omdat de wetgever juist bewust heeft gekozen voor het stellen van de eis van opeisbaarheid in de Wht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit ook al meermaals [7] geoordeeld. De rechtbank ziet in de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam geen aanleiding voor een ander oordeel. Datzelfde geldt voor de verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die ziet op een hele andere rechtsvraag.
Hardheidsclausule
9. Eiseres voert aan dat in haar geval de hardheidsclausule moet worden toegepast, omdat Dienst Toeslagen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ernstige onbillijke gevolgen. Eiseres was vanwege de terugvorderingen van Dienst Toeslagen genoodzaakt om leningen af te sluiten. Als ze de betalingstermijnen hiervan niet tijdig had betaald, waren de leningen opeisbaar geworden en dan was de schuld wel overgenomen. Verder is het terugbetalen van haar schulden voor haar erg lastig, aangezien zij een laag inkomen heeft en zij voor haar kind moet zorgen. Hierbij komt dat ze last heeft van gezondheidsklachten, die gevolg zijn van jarenlange stress. Haar schulden zijn verergerd omdat er tijdens de pauzeperiode rente is berekend over haar schulden. Haar zoon is ook een studielening aangegaan om te helpen aflossen. Het vertrouwen van eiseres in de overheid is door het bestreden besluit opnieuw beschadigd. Dienst Toeslagen overweegt slechts dat het geringe inkomen geen reden is om af te wijken van de Wht. De beslissing is daarom op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Eiseres heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024. [8]
10. De hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht maakt het mogelijk dat de minister afwijkt van artikel 4.1 van de Wht voor zover toepassing van die bepaling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Zoals ook volgt uit rechtspraak van de Afdeling [9] , heeft de wetgever de hardheidsclausule bedoeld voor bijzondere situaties die niet zijn voorzien en waarin toepassing van de wettelijke bepaling zou leiden tot een zeer onbillijke uitkomst en schrijnende gevallen. Daarbij moet, zoals hiervoor ook is gezegd, voor ogen worden gehouden dat de regeling voor de overname van schulden uitdrukkelijk niet is bedoeld om gedupeerde ouders volledig te vrijwaren van schulden of van daarmee mogelijk gepaard gaande (zeer) beperkte financiële draagkracht. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet blijkt namelijk dat de regeling erop gericht is om gedupeerde ouders (zoveel mogelijk) te vrijwaren van incassomaatregelen. Juist daarom worden alleen opeisbare schulden overgenomen.
10.1.
De rechtbank onderkent dat gedupeerden zoals eiseres, die hun best hebben gedaan om incassoprocedures te voorkomen, voor hun gevoel onder de Wht worden benadeeld omdat zij minder opeisbare betalingsachterstanden hebben opgebouwd en er dus minder schulden worden overgenomen. Dat kan echter geen reden zijn voor toepassing van de hardheidsclausule, omdat de wetgever zich hier bij de totstandkoming van de Wht bewust van is geweest. De hardheidsclausule is bedoeld voor situaties die de wetgever niet heeft voorzien. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres wrang voelt dat zij niet in aanmerking komt voor overname van de schuld omdat zij zich juist heeft ingespannen om te voorkomen dat haar schulden opeisbaar werden. Eiseres is echter niet geconfronteerd met incassomaatregelen en zij heeft geen omstandigheden aangevoerd die op zichzelf onmiskenbaar onbillijk zijn, gelet op het doel van de regeling. Dat eiseres haar schulden zelf moet betalen, leidt in haar geval echter niet tot een onbillijkheid van overwegende aard, als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
Voor zover zij stelt nu financiële problemen te hebben of niet in staat is de schulden af te betalen, is dat niet geconcretiseerd. In het dossier bevinden zich geen gegevens die daar verder inzicht in geven. Eiseres heeft in dit verband ook gewezen op haar medische problemen. Dienst Toeslagen heeft daarin evenmin aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Dienst Toeslagen heeft in dat verband in het verweerschrift kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gezondheidsklachten kreeg door de financiële problemen (zonder te willen afdoen aan het leed dat eiseres heeft ervaren).
10.2.
De rechtbank merkt op dat eiseres een verzoek om aanvullende compensatie heeft gedaan bij de commissie werkelijke schade, welk verzoek nog in behandeling is. In deze procedure kan zij aanvoeren dat de schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed. Hierbij wordt ook gekeken naar het causale verband tussen de geleden schade en het handelen van Dienst Toeslagen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Dienst Toeslagen de schulden van eiseres niet over hoeft te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I van Meel, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.W.M. Engels, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2024.
De rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 44-45.