Werknemer was sinds 1988 in dienst bij werkgever en werd in juli 2022 arbeidsongeschikt. Kort daarna werd hij boventallig verklaard wegens sluiting van de unit waar hij werkte. Werkgever bood een beëindigingsvergoeding aan conform het Sociaal Plan, maar werknemer accepteerde dit niet uit vrees voor nadelige gevolgen voor sociale verzekeringen.
Na 104 weken arbeidsongeschiktheid vroeg werkgever toestemming aan het UWV om de arbeidsovereenkomst te beëindigen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, wat werd toegestaan. De arbeidsovereenkomst werd beëindigd met toekenning van de wettelijke transitievergoeding, niet de hogere vergoeding uit het Sociaal Plan.
Werknemer vorderde alsnog betaling van de beëindigingsvergoeding uit het Sociaal Plan, stellende dat het plan vanaf de boventalligverklaring op hem van toepassing was en dat werkgever tekortgeschoten is in de nakoming, onrechtmatig heeft gehandeld en dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is.
De kantonrechter oordeelde dat het Sociaal Plan niet van toepassing is op werknemers die na meer dan twee jaar ziekte uit dienst treden, ook als zij eerder boventallig zijn verklaard. Werkgever heeft niet tekortgeschoten, omdat het opzegverbod tijdens ziekte van toepassing was en zij niet verplicht was om ontslag om bedrijfseconomische redenen aan te vragen. Er was geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of misbruik van recht. Het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat de regeling voorzienbaar en niet onredelijk is.
Het verzoek van werknemer tot betaling van de hogere beëindigingsvergoeding en bijkomende vorderingen werd afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.