De zaak betreft een werknemer van De Volksbank die bij reorganisatie boventallig werd verklaard en aanspraak maakte op een vertrekvergoeding uit het Sociaal Plan 2017-2020. Na boventalligheid werkte hij nog tijdelijk door, werd vervolgens arbeidsongeschikt en kreeg twee jaar loon doorbetaald. De arbeidsovereenkomst werd daarna wegens langdurige arbeidsongeschiktheid beëindigd.
De werknemer vorderde betaling van de vertrekvergoeding, wat de kantonrechter toewijst. De Volksbank ging in hoger beroep en betwistte onder meer de uitleg van de mobiliteitsfase en de toepassing van het Sociaal Plan bij ziekte en langdurige arbeidsongeschiktheid.
Het hof oordeelt dat de mobiliteitsfase door ziekte maximaal zes maanden kan worden opgeschort en daarna begint, ook als de werknemer nog arbeidsongeschikt is. De werknemer heeft recht op vertrekvergoeding, ook als de arbeidsovereenkomst later wordt beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De Volksbank kan zich niet beroepen op het feit dat het ontslag niet direct vanwege reorganisatie plaatsvond.
De uitleg van het Sociaal Plan als standaard-cao wordt bevestigd, waarbij de tekst en context leidend zijn. De Volksbank wordt veroordeeld tot betaling van de vertrekvergoeding, proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten. Het hoger beroep wordt verworpen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.