Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats 1] , eisers
[vergunninghouder] B.V.uit [plaats 2] (de vergunninghouder)
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug aan een vergunninghouder heeft verleend voor de bouw van twee woningen aan de [adres 1] in [plaats 1]. Eisers wonen nabij en voeren een veehouderij aan de [adres 3]. Zij stelden dat het college ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad had gevraagd en dat het bouwplan in strijd is met diverse regelgeving, waaronder de beheersverordening en de Interim Omgevingsverordening (IOV).
De rechtbank overwoog dat het college bevoegd was om op basis van een buitenplanse afwijking de vergunning te verlenen, mits het besluit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank volgde het standpunt dat het raadsbesluit van 28 januari 2021 en bijlage 2 daarop van toepassing zijn en dat voor het bouwplan geen vvgb vereist was. Ook oordeelde de rechtbank dat het bouwplan niet leidt tot verstedelijking in de zin van de IOV en dat het college daarom niet verplicht was de motivering te geven die eisers verlangden.
Verder stelde de rechtbank vast dat het bouwplan binnen 100 meter van de veehouderij ligt, maar dat dit geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat, mede omdat al veel woningen binnen die afstand liggen en de geurbelasting binnen de normen blijft. Het groenplan en de houtsingel behoeven geen borging in de vergunning, omdat deze niet essentieel zijn voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Tot slot oordeelde de rechtbank dat het college binnen zijn beleidsruimte mocht besluiten dat het bouwplan voorziet in de behoefte van de eigen inwoners. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de bouw van twee woningen is ongegrond verklaard.