ECLI:NL:RBMNE:2025:293
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen hoogte WIA-uitkering en eerste arbeidsongeschiktheidsdag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van het UWV over de hoogte van zijn WIA-uitkering en de vaststelling van zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Het UWV had vastgesteld dat eiser vanaf 23 juli 2020 volledig arbeidsongeschikt is en berekende de uitkering op basis van het loon in de referteperiode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020.
Eiser stelde dat de datum van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag willekeurig was gekozen en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn persoonlijke en medische omstandigheden. Hij verzocht om een meer menselijke maat bij de beoordeling en een uitkering op minimaal bijstandsniveau.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht 23 juli 2020 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft vastgesteld, mede op basis van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De referteperiode en de berekening van het dagloon zijn volgens de wettelijke bepalingen correct toegepast. De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden die toepassing van de wet- en regelgeving onevenredig zouden maken.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en liet de besluiten van het UWV in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de hoogte van zijn WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en de besluiten van het UWV blijven in stand.