Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift van [verzoekster] , ter griffie ingekomen op 3 juni 2025;
- het verweerschrift van [verweerder] van 30 juni 2025.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 15 juli 2025 een beschikking gegeven inzake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen een besloten vennootschap, aangeduid als [verzoekster] B.V., en haar werknemer, aangeduid als [verweerder]. De procedure begon met een verzoekschrift van [verzoekster] dat op 3 juni 2025 ter griffie werd ingediend, gevolgd door een verweerschrift van [verweerder] op 30 juni 2025. Partijen bereikten op 3 juli 2025 overeenstemming over de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst, waardoor de geplande mondelinge behandeling niet doorging.
[Verzoekster] verzocht de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b en 7:669 lid 3 sub g van het Burgerlijk Wetboek, met ingang van 1 september 2025. [Verzoekster] stelde dat er een verstoorde arbeidsverhouding was ontstaan, waardoor het niet mogelijk was om de samenwerking voort te zetten. [Verweerder] betwistte de claims van [verzoekster] niet, maar benadrukte dat hij zich altijd naar behoren had ingezet en dat de situatie niet aan hem te verwijten was.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en dat er geen herplaatsing mogelijk is. Tevens is onderzocht of er sprake was van een opzegverbod, wat niet het geval bleek te zijn. De kantonrechter oordeelde dat er voldoende redenen waren voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst en heeft het verzoek van [verzoekster] ingewilligd. De arbeidsovereenkomst is ontbonden per 1 september 2025, en [verzoekster] is veroordeeld tot betaling van een beëindigingsvergoeding van € 25.000,- bruto aan [verweerder]. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij partijen hun eigen kosten dragen.