Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zitting
- de verdachte;
- de officier van justitie: mr. M.L. Kruit;
- de advocaat van de verdachte: mr. A. Boumanjal;
- de benadeelde partijen: [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ;
- de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] : mr. R. Schreudering;
- de benadeelde partij [benadeelde 3] ;
- de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 3] : mr. A Wijburg.
2.Tenlastelegging
3.Bewijs en de bewezenverklaring
verwijtbaarheeft gehandeld. Het komt er daarbij op aan of verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Daarbij is van belang dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat strafrechtelijk sprake is van schuld in voornoemde zin.
of omstreeks10 juli 2024, te Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg,
de Thomas à Kempisweg en/ofhet kruispunt gevormd door de Thomas à Kempisweg met het Thomas à Kempisplantsoen en
/ofde Cartesiusweg en
/ofde Cremerstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door
roekeloos, in elk gevalzeer,
althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en
/ofonoplettend,
althansmet een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid en
/ofgelet op de verkeerssituatie ter plaatse verantwoord was, voornoemde kruising te naderen en
/ofop te rijden en
/of
een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend driekleurig verkeerslicht te negeren, dan welterwijl het aldaar geplaatste driekleurige verkeerslicht in zijn richting reeds enige tijd geel licht uitstraalde
envoornoemde kruising met onverminderde snelheid op te rijden en
/of
(kort voor de aanrijding
)tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig een of meerdere gebruikershandeling
(en
)op zijn mobiele telefoon te verrichten en
/of
(daarbij
)niet,
althans in onvoldoende mateop het voor hem, verdachte, gelegen gedeelte van die weg en
/ofhet overige verkeer op dat weggedeelte te letten en
/of blijven letten, althanszich er
(daarbij
)niet,
althans niet tijdig en/of in onvoldoende matevan te vergewissen dat een fietser doende was voornoemde Thomas à Kempisweg over te steken,
althans die zich (daartoe) op de Thomas à Kempisweg bevonden
/of
/of
(vervolgens
)niet,
althans niet tijdig en/of voldoendeaf te remmen
en/of niet, althans niet tijdig en/of voldoende uit te wijkenvoor die fietser, waardoor hij, verdachte,
(vervolgens
)is gebotst tegen
, althans in aanrijding is gekomen metvoornoemde fietser, waardoor [slachtoffer] werd gedood;
de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Thomas à Kempisweg en/ofhet kruispunt gevormd door de Thomas à Kempisweg met het Thomas à Kempisplantsoen en
/ofde Cartesiusweg en
/ofde
4.Kwalificatie en strafbaarheid
5.De straf en maatregel
- een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van 1 jaar.
6.Vordering benadeelde partij
7.Toegepaste wetsartikelen
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
8. De beslissing
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis;
- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade (affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 3.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 45 dagen gijzeling; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade (affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 3.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 45 dagen gijzeling; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- verklaart [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.