Eiser is onder bewind gesteld per 24 mei 2024 en heeft kosten gemaakt voor griffierecht, intake en bewindvoering. Hij vroeg bijzondere bijstand aan op grond van de Participatiewet, maar de gemeente wees de aanvraag af voor kosten die langer dan twee maanden voor de meldingsdatum waren gemaakt.
Eiser stelde dat de kosten pas ontstonden toen de bewindvoerder deze in rekening bracht, en dat de gemeente onvoldoende rekening hield met vertraging bij het openen van een beheerrekening. De rechtbank oordeelde dat het tijdstip van kostenopkomst niet wordt bepaald door de factuurdatum, maar door het moment waarop de kosten feitelijk zijn ontstaan, namelijk bij aanvang van het bewind.
De rechtbank volgde het beleid van de gemeente dat bijzondere bijstand niet wordt verleend voor kosten die langer dan twee maanden voor de aanvraagdatum zijn gemaakt, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. Die omstandigheden waren hier niet aanwezig. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en hij kreeg geen vergoeding van de griffiekosten of proceskosten.