Ouders van een minderjarige met een aangeboren afwijking vorderden vergoeding van een multi-grip handprothese onder de basiszorgverzekering bij zorgverzekeraar ONVZ. De minderjarige gebruikt sinds eind 2022 een geavanceerde prothese met vijf afzonderlijk beweegbare vingers, die aanzienlijk meer functionaliteit biedt dan de eerdere standaardprothese.
De rechtbank beoordeelde of de prothese voldoet aan het criterium van de stand van de wetenschap en praktijk, een vereiste voor vergoeding onder het basispakket. De ouders stelden dat het Duitse behandeltraject en het Prothese Prescriptie Protocol van de Arm (PPP-Arm) voldoende onderbouwing boden, maar konden geen kwalitatief verantwoorde studies of andere bewijzen overleggen die de effectiviteit van de multi-grip prothese aantonen.
De zorgverzekeraar betwistte de effectiviteit en onderbouwde dit met een literatuuronderzoek waaruit bleek dat de beschikbare studies methodologische beperkingen hebben en tegenstrijdige resultaten geven. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende is aangetoond dat de multi-grip handprothese voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk op het moment van ontvangst in november 2022.
Ook een vermeende mondelinge toezegging van ONVZ tot vergoeding werd niet bewezen geacht. De vorderingen werden afgewezen en de ouders werden veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.