Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
De eisende partij, een kinderopvangorganisatie, vordert betaling van de gedaagde partij voor kinderopvangdiensten na opzegging van de overeenkomst. De gedaagde partij is gestopt met betalen na opzegging, terwijl partijen een opzegtermijn van een maand zijn overeengekomen. De kantonrechter verleent verstek tegen de gedaagde partij en beoordeelt ambtshalve de naleving van consumentenbeschermende informatieplichten en de inhoud van de algemene voorwaarden.
De rechter constateert dat de informatieplichten uit de artikelen 6:230m en 6:230v BW zijn nageleefd. Het beding in de algemene voorwaarden over de opzegtermijn van een maand is toelaatbaar en niet onredelijk bezwarend, conform een recente uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2023:198). De betaling wordt toegewezen over de daadwerkelijke duur van de opzegtermijn, zijnde 29 juli tot 29 augustus 2024, wat neerkomt op een deel van het maandbedrag.
De vordering tot betaling van wettelijke rente over het toegewezen bedrag wordt eveneens toegewezen, aangezien het rentebeding overeenkomt met de wettelijke regeling. De gevorderde incassokosten worden echter afgewezen omdat het incassokostenbeding onduidelijk, onbegrijpelijk en onredelijk bezwarend is. Het beding wijkt af van de wettelijke eisen, met name inzake de verplichting tot een aanmaningsbrief met een betalingstermijn van veertien dagen. De gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag, rente en proceskosten, terwijl het meer gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde partij moet €860,66 betalen over de opzegtermijn met wettelijke rente, incassokostenvordering wordt afgewezen.