Eiseres diende op 14 mei 2024 een aanvraag in voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag, ruim na de uiterste datum van 31 december 2023 zoals bepaald in artikel 6.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing.
De rechtbank oordeelde dat de late indiening niet verschoonbaar is en dat de hardheidsclausule van artikel 9.1 Wht niet van toepassing is. De rechtbank verwees naar jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de hardheidsclausule alleen geldt bij schrijnende, actuele omstandigheden zoals ernstige medische problemen of ontwrichtende persoonlijke situaties. Eiseres stelde dat zij vanwege verhuizing naar België en gebrek aan kennis over de termijn niet tijdig kon indienen, maar dit werd niet als bijzondere omstandigheid erkend.
De rechtbank concludeerde dat de strikte toepassing van de termijn niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De aanvraag blijft daarom buiten behandeling en het beroep wordt ongegrond verklaard. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak werd gedaan door rechter I. Helmich op 10 oktober 2025.