Uitspraak
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser sub 1], en
[eiser sub 2],
het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder
Wonen à la Carte B.V.(vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. C. Schipperus).
Inleiding
het plangebied). Het plangebied wil vergunninghoudster gebruiken voor het ontwikkelen van vijf woningen, namelijk vier twee-onder-één-kap villa’s en één vrijstaande villa. Hiervoor is in 2021 een bestemmingsplan vastgesteld dat sinds maart 2022 onherroepelijk is. Tijdens de bezwaarprocedure tegen de in september 2022 verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen werd bekend dat de das gebruik maakt van het plangebied als foerageergebied. Door vergunninghoudster is daarom op 29 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (
de omgevingsvergunning) voor het opzettelijk beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026.
het primaire besluit) hebben gedeputeerde staten aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend. Met het besluit van 24 oktober 2024 hebben gedeputeerde staten het primaire besluit gewijzigd, in die zin dat dat een aanvullend voorschrift 12 is opgenomen [1] . Eisers zijn het niet eens met het (gewijzigde) primaire besluit en hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Zij wonen dichtbij het plangebied en hechten onder andere waarde aan het behouden van het leefgebied van de das in hun directe omgeving. Op advies van de Awb-adviescommissie hebben gedeputeerde staten het bezwaar met de beslissing op bezwaar van 1 april 2025 gedeeltelijk gegrond verklaard. Met het besluit van gelijke datum hebben gedeputeerde staten het (gewijzigde) primaire besluit ingetrokken en een nieuwe omgevingsvergunning verleend tot en met 30 september 2026, die is voorzien van een nadere motivering.
Belanghebbendheid en relativiteit
de Afdeling) volgt dat de ruimtelijke uitstraling van een project dat met een soortenbeschermingsontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) mogelijk wordt gemaakt, bij de beoordeling van de belanghebbendheid niet van belang is. Bepalend is of de handeling waarvoor de ontheffing is verleend, een ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van de eisers. In beginsel is sprake van een ruimtelijke uitstraling op de woon- en leefomgeving als sprake is van een geringe afstand tussen de woon- en leefomgeving en het (te ontwikkelen) project waarvoor de ontheffing nodig is. [3] De rechtbank overweegt verder dat uit artikel 8:69a van de Awb volgt dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eisers door het bestreden besluit dreigen te worden geraakt. In deze zaak beroepen eisers zich als natuurlijke personen op bepalingen uit de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) die strekken tot de bescherming van diersoorten, in dit geval de das, en hun voortplantings- en rustplaatsen. In beginsel beroepen eisers zich dus op wettelijke bepalingen die niet zijn gericht op de bescherming van hun belangen. Uit rechtspraak [4] van de Afdeling volgt dat de belangen van omwonenden bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe woon- en leefomgeving zo verweven kunnen zijn met het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen uit de Wnb niet strekken tot bescherming van de belangen van omwonenden. Bij beoordeling van die verwevenheid, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de afstand tussen de woning en het plangebied waarop de activiteiten voorzien zijn.