Beoordeling door de rechtbank
Dwingende reden van groot openbaar belang
14. Gedeputeerde staten hebben aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat deze noodzakelijk is in het kader van een dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.De dwingende reden van groot openbaar belang is volgens gedeputeerde staten gelegen in de lokale behoefte aan woningbouw. Gedeputeerde staten hebben daarbij gewezen op de woningnood in de provincie Utrecht in het algemeen, maar ook op de urgente woningbehoefte in de regio Soest in het bijzonder. Volgens gedeputeerde staten kan de realisatie van deze vijf woningen daaraan bijdragen. Ter onderbouwing hebben gedeputeerde staten gewezen op het Woningmarktonderzoek 2023-2040 van 26 september 2023 van [adviesbureau 1] en het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg van 31 oktober 2023 van [adviesbureau 2] , waaruit volgt dat in de gemeente Soest ook behoefte is aan woningen in het hogere marktsegment.
15. Eisers voeren aan dat gedeputeerde staten onvoldoende hebben gemotiveerd dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang om in deze zaak een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Volgens eisers hebben gedeputeerde staten in de besluitvorming ten onrechte volstaan met een algemene verwijzing naar het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg, maar hebben zij niet inzichtelijk onderbouwd dat behoefte is aan grondgebonden koopwoningen in het hoge marktsegment. Ook is daarmee niet onderbouwd dat de beoogde woningbouw kan bijdragen aan de kwantitatieve woningbehoefte in de regio. Eisers wijzen verder op het Woningmarktonderzoek 2023-2040 van [adviesbureau 1] . Daaruit blijkt volgens eisers dat de uitbreidingsbehoefte aan duurdere grondgebonden woningen juist beperkt is en dat op termijn een risico bestaat op overschot van dit type woningen.
16. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat een dringende behoefte aan woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Dit volgt ook uit de rechtspraakvan de Afdeling die ziet op het voorheen geldende soortenbeschermingsregime uit de Wnb en de Flora- en Faunawet. Verder is het algemeen bekend dat er landelijk, regionaal en lokaal een grote behoefte aan (koop)woningen bestaat. De rechtbank stelt echter vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat de woningen die vergunninghoudster wil realiseren bestaan uit grondgebonden koopwoningen in het hoge marktsegment. Om te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang moeten gedeputeerde staten daarom deugdelijk motiveren dat een dringende behoefte óók bestaat aan dit type koopwoningen in Soest. Daarbij kan ook een rol spelen dat met de bouw van dit type woningen op andere wijze wordt bijgedragen aan de dringende behoefte aan woningbouw in de regio, bijvoorbeeld door het bevorderen van doorstroming op de woningmarkt.
17. Naar het oordeel van de rechtbank zijn gedeputeerde staten er niet in geslaagd om concreet en deugdelijk te motiveren dat de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in de lokale behoefte aan dit type woningbouw in het hoge segment in Soest. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
18. Uit het bestreden besluit, maar ook uit de toelichting tijdens de zitting, volgt dat gedeputeerde staten hun onderbouwing grotendeels baseren op het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg in combinatie met het Woningmarktonderzoek van [adviesbureau 1] . De rechtbank overweegt allereerst dat gedeputeerde staten uitvoerig hebben geciteerd uit de algemene overwegingen uit deze onderzoeken, maar hebben nagelaten om in hun besluitvorming te specificeren wélke overwegingen of bevindingen uit de genoemde onderzoeken voor deze zaak relevant zijn en waar dat in de gebruikte onderzoeken is beschreven. Een algemene en ongespecificeerde verwijzing naar deze onderzoeken is onvoldoende om de conclusies van gedeputeerde staten over de noodzaak van koopwoningen in het hoge segment in Soest te kunnen dragen.
19. Bestudering van het Woningmarktonderzoek van [adviesbureau 1] , opgesteld voor de gemeente Soest, geeft bovendien een ander beeld van de woningbehoefte in die gemeente. Uit het Woningmarktonderzoek van [adviesbureau 1] volgt immers dat in de gemeente Soest vooral behoefte is aan sociale huurappartementen, huurwoningen in de vrije sector en koopappartementen. Volgens dit onderzoek is de uitbreidingsbehoefte aan duurdere grondgebonden woningen beperkt en is zelfs de verwachting dat er op termijn, vanwege vergrijzing, een overschot aan dit type woningen ontstaat.Het onderzoek laat verder zien dat ook de harde plancapaciteit vooral gericht is op dure grondgebonden koopwoningen en sociale huurappartementen en dat koopappartementen en betaalbare woningen niet in de planning staan, terwijl juist daar wel behoefte aan is.De rechtbank komt tot de conclusie dat de uitkomsten van het Woningmarktonderzoek van [adviesbureau 1] het standpunt dat gedeputeerde staten in hun besluitvorming hebben ingenomen niet ondersteunen. Zonder heldere en op deze zaak toegesneden motivering is daarom met een verwijzing naar het Woningmarktonderzoek van [adviesbureau 1] niet inzichtelijk op welke wijze de beoogde woningbouw bijdraagt aan een dringende behoefte aan woningbouw in Soest.
20. In het verweerschrift en op de zitting hebben gedeputeerde staten nog toegelicht dat ook uit het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg een behoefte aan koopwoningen in het hoge segment in de regio volgt. Lokaal zou behoefte bestaan aan 235 dure grondgebonden koopwoningen, zodat de voorgenomen ontwikkeling 2% van deze behoefte vervult. Verder hebben gedeputeerde staten nog toegelicht dat uit het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg volgt dat het realiseren van koopwoningen in het hogere segment, leidt tot verhuisbewegingen waarmee knelpunten in andere segmenten van de woningmarkt kunnen worden weggenomen. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 26 januari 2024stellen gedeputeerde staten dat het wegnemen van knelpunten op de woningmarkt, bijvoorbeeld door het bevorderen van de doorstroming, ook kan leiden tot het aannemen van een dwingende reden van groot openbaar belang.
21. Het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg kan echter zonder nadere toelichting op zichzelf of in combinatie met het onder 19. beschreven onderzoek van [adviesbureau 1] evenmin leiden tot de conclusie dat de beoogde woningbouw voorziet in een dringende behoefte. De rechtbank overweegt daarover dat het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg is opgesteld in het kader van een ander woningbouwproject van veel grotere omvang. Het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg geeft ook inzicht in verhuisbewegingen en woningbehoefte in de gehele marktregio Utrecht, Zeist en Soest en de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte lokaal (dat wil zeggen: Zeist en Soest) in de marktregio. Het Woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg is daarmee niet op voorhand onbruikbaar om de kwalitatieve behoefte aan de beoogde woningen in deze zaak te onderbouwen. Maar de enkele verwijzing van gedeputeerde staten naar de lokale behoefte aan 235 dure grondgebonden koopwoningen is daarvoor echter onvoldoende en te weinig specifiek om die behoefte in Soest te onderbouwen. Het woningmarktonderzoek Vliegbasis Soesterberg geeft naast de vraag naar dure grondgebonden koopwoningen onder andere ook inzicht in het aanbod en de harde plancapaciteit.De besluitvorming en de toelichting van gedeputeerde staten gaat daaraan voorbij en betrekt bijvoorbeeld de harde plancapaciteit uit het Woningmarktonderzoek niet in de onderbouwing van de noodzaak voor dit bouwplan. De motivering van gedeputeerde staten is daarmee onvolledig en onvoldoende genuanceerd voor de conclusie dat een dringende behoefte bestaat aan koopwoningen in het hoge segment. Ten slotte is ook de stelling dat het realiseren van deze woningen tot noodzakelijke verhuisbewegingen leidt niet onderbouwd met concrete verwijzingen naar het Woningbouwonderzoek Vliegbasis Soesterberg of met een op deze zaak en actuele, gespecificeerde toelichting nu de onderzoeken ook enigszins gedateerd zijn. Ook inmiddels gerealiseerde of geplande woningbouwprojecten zijn niet in de motivering betrokken.
22. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het enkele feit dat de beoogde woningen inmiddels zijn verkocht en dat het aantal inschrijvingen voor deze woningen veel hoger lag dan het aanbod, niet direct een onderbouwing is van de dringende noodzaak voor het bouwen van dit type woningen. De rechtbank begrijpt dat de verkoop voor vergunninghoudster een indicatie is van de vraag naar dit type woningen, maar de juridische onderbouwing van de noodzaak vraagt van gedeputeerde staten een deugdelijke en specifiek voor deze omgevingsvergunning opgestelde motivering.
23. Uit het voorgaande volgt dat gedeputeerde staten onvoldoende hebben gemotiveerd dat het bouwplan voorziet in een dwingende reden van groot openbaar belang in de zin van artikel 8.74l, eerste lid onder b, onder 3° van het Bkl. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak bespreken welke consequenties dit heeft en hoe gedeputeerde staten dit gebrek kunnen herstellen.
Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden
24. Gedeputeerde staten hebben verder aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd dat deze nodig is in het kader de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.Gedeputeerde staten hebben in dat kader toegelicht dat gemeenten bevoegd zijn om via het omgevingsplan functies aan locaties toe te kennen en voor woningbouw in het bijzonder te bepalen waar bepaalde typen woningen binnen een gemeente moeten worden gerealiseerd. In dit geval is met het bestemmingsplan (nu onderdeel van het omgevingsplan) voor het plangebied vastgesteld dat in het plangebied woningen mogen worden gebouwd. De bestemming van het perceel is gewijzigd van ‘agrarisch’ naar ‘wonen met tuin’. Bovendien valt de geplande bebouwing volledig binnen de ‘rode contour’. Dit is de plek waar binnen de gemeente bebouwing verstedelijking is toegestaan. Gedeputeerde staten hebben hier verder nog aan toegevoegd dat de noodzaak van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden juist ook gelegen kan zijn in een kleinere ontwikkeling.
25. Eisers voeren hiertegen aan dat gedeputeerde staten niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het bestemmingsplan zonder hierbij een eigen belangenafweging te maken. Volgens eisers was de aanwezigheid van de das in het gebied nog niet bekend ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan voor het plangebied. De aanwezigheid van de das is daardoor niet betrokken bij de afwegingen die in het kader van het bestemmingsplan zijn gemaakt.
26. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten onvoldoende hebben gemotiveerd waarom het nodig is de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De enkele verwijzing naar het vastgestelde bestemmingsplan en de bevoegdheid van gemeenten om functies aan locaties toe te kennen, is daarvoor onvoldoende. Als gedeputeerde staten de omgevingsvergunning willen verlenen, omdat dit nodig is voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden dan moeten zij daarvoor onderbouwen waarom de ontwikkeling in deze zaak juist op de desbetreffende locatie noodzakelijk is. Daarbij kunnen overwegingen uit het bestemmingsplan over deze locatie een rol spelen, maar het is aan gedeputeerde staten om daar in het kader van de verleende omgevingsvergunning een eigen, voor deze zaak geldende afweging over te maken. Dit betekent dat gedeputeerde staten ook onvoldoende hebben gemotiveerd dat de omgevingsvergunning nodig is in verband met de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De beroepsgronden van eisers slagen. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak bespreken welke consequenties dit heeft en hoe gedeputeerde staten dit kunnen herstellen.
Andere bevredigende oplossingen
27. Eisers voeren aan dat gedeputeerde staten in hun besluitvorming onvoldoende hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. Volgens eisers is de algemene stelling van gedeputeerde staten dat geen alternatieve locatie voor woningbouw voorhanden is, onvoldoende. Gedeputeerde staten hebben daarbij volgens eisers ten onrechte nagelaten om inzichtelijk te maken welke alternatieve locaties zouden zijn onderzocht en waarom deze niet of minder geschikt zijn dan de beoogde locatie.
28. De rechtbank overweegt dat de vraag of geen andere bevredigende oplossing bestaat, moet worden afgezet tegen het doel van de ingreep. De rechtbank baseert zich hiervoor op rechtspraak van de Afdeling.Dit betekent dat gedeputeerde staten bij hun besluitvorming moeten beoordelen of er andere bevredigende oplossingen bestaan die geen of een geringere aantasting van het essentieel foerageergebied van de das veroorzaakt. Bij de beoordeling kunnen alternatieve locaties voor woningbouw een rol spelen. Gedeputeerde staten hebben naar het oordeel van de rechtbank echter nagelaten om in hun besluitvorming inzichtelijk te maken welke alternatieven (locaties) bij de beoordeling een rol hebben gespeeld en waarom deze locaties niet of niet in gelijke mate geschikt zijn. Mogelijk ligt deze beoordeling wel aan de besluitvorming van gedeputeerde staten ten grondslag, maar dit komt onvoldoende tot uitdrukking in het bestreden besluit. Dit betekent dat de besluitvorming van gedeputeerde staten ook een gebrek bevat ten aanzien van de beoordeling van de eventuele andere bevredigende oplossingen. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak bespreken welke consequenties dit heeft en hoe gedeputeerde staten dit kunnen herstellen.
De gunstige staat van instandhouding
29. In het bestreden besluit hebben gedeputeerde staten overwogen dat het verlenen van de omgevingsvergunning geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de das in het gebied. Gedeputeerde staten hebben daarbij de aanwezigheid van de das in het gebied betrokken en de mogelijke cumulatieve effecten van andere (woning)bouwprojecten op de staat van instandhouding. Gedeputeerde staten hebben verder betrokken dat vergunninghoudster mitigerende maatregelen heeft getroffen in de vorm van de aanleg van een alternatief foerageergebied voor de das en het in stand houden van de looproute. Deze zijn opgenomen in het Mitigatieplan 1e Heezerlaantje van 25 juni 2024 opgesteld door [adviesbureau 3] . De conclusie van de beoordeling door gedeputeerde staten is dat de mitigerende en compenserende maatregelen ervoor zorgen dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de das in het gebied.
30. Eisers voeren aan dat de aanleg van het compensatiegebied er niet toe leidt dat het leefgebied van de das voldoende in stand blijft. Om het compensatiegebied te bereiken moet de das een weg oversteken waardoor er een groter risico is op verkeersslachtoffers onder de das, vooral wanneer de verkeersintensiteit in de straat toeneemt door het realiseren van extra woningen. Verder wijzen eisers erop dat het compensatiegebied al onderdeel uitmaakt van het foerageergebied van de das zodat in feite geen compensatie plaatsvindt. Ter onderbouwing hebben eisers het rapport ‘De Das, de omgevingswet en een bouwplan voor het [perceel] in Soest’ van de Dassenwerkgroep overlegd. Eisers stellen zich verder op het standpunt dat het tenminste drie tot vier jaar duurt tot het bodemleven in het compensatiegebied zodanig is ontwikkeld dat het kan dienen als voedselvoorziening voor de das. Eisers wijzen daarbij op het rapport ‘Voedselbeschikbaarheid voor dassen in relatie tot landgebruik, een nieuwe basis onder compensatieberekeningen’ van [D] . Volgens eiser is dan ook niet aannemelijk dat het compensatiegebied functioneel is voordat de omgevingsvergunning verloopt.
31. De rechtbank stelt vast, en tussen partijen is op de zitting niet in geschil, dat ‘de bosweide’ bij de manege aan de Bosstraat geen onderdeel uitmaakt van de compenserende of mitigerende maatregelen van de verleende omgevingsvergunning. Partijen zijn het erover eens dat het compensatiegebied is gelegen schuin tegenover het plangebied aan het 1e Heezerlaantje. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten redelijkerwijs mochten concluderen dat de maatregelen uit het mitigatieplan voldoende zijn om een gunstige staat van instandhouding van de das in zijn natuurlijke verspreidingsgebied te behouden. Voor de grootte en inrichting van het compensatiegebied en de looproute hebben gedeputeerde staten zich in redelijkheid gebaseerd op de uitgangspunten uit het ‘Kennisdocument das’ van BIJ12 van juli 2017. De daarin opgenomen uitgangspunten voor het realiseren van nieuw leefgebied voor de das zijn in het mitigatieplan in acht genomen. Zo is de grootte van het nieuwe leefgebied (3.080 m2) 120 procent van het te bebouwen essentieel leefgebied (2.565 m2) om daarmee eventuele kwalitatieve verschillen tussen de gebieden te ondervangen. Daarnaast bestaat het compensatiegebied uit een gras-klaverperceel en hebben gedeputeerde staten als voorwaarde aan de omgevingsvergunning gesteld dat pas gestart mag worden met werkzaamheden als het compensatiegebied functioneel is. Daarvan is sprake als in het compensatiegebied een volledige grasmat (inclusief kruiden) aanwezig is en de grasmat een eerste keer gemaaid is. Met het rapport van 14 augustus 2025 heeft de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) naar aanleiding van een bezoek aan het compensatiegebied vastgesteld dat het gebied inmiddels functioneel is. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat het drie tot vier jaar zal duren voordat het compensatiegebied functioneel is. Gedeputeerde staten hebben zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat uit het rapport van Schröder volgt dat deze termijn geldt voor percelen waar voorheen geen gras heeft gegroeid, terwijl het compensatiegebied een voormalig grasland is. De beroepsgronden van eisers gericht tegen de gunstige staat van instandhouding, slagen niet.
32. De rechtbank oordeelt ten slotte dat het rapport van de RUD van 23 juni 2025, anders dan eisers stellen, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen apart rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. Het rapport van de RUD dient uitsluitend ter beoordeling van de functionaliteit van het compensatiegebied en is niet gericht op het realiseren van een rechtsgevolg voor de omgevingsvergunning waar het in deze zaak over gaat.
Conclusie en gevolgen
33. In de overwegingen 17. tot en met 28. van deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de omgevingsvergunning gebreken bevat in de motivering van de noodzaak voor het realiseren van de beoogde woningen op deze locatie en de motivering van het ontbreken van andere bevredigende oplossingen.
34. De rechtbank sluit niet uit dat beide geconstateerde gebreken door gedeputeerde staten kunnen worden hersteld en zij zal hen daartoe in de gelegenheid stellen. Gedeputeerde staten kunnen de gebreken herstellen door alsnog toereikend te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van een groot openbaar belang voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het opzettelijk vernietigen of beschadigen van essentieel foerageergebied van de das. Aannemende dat gedeputeerde staten hun standpunt handhaven dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang die volgt uit de behoefte aan dit type woningbouw, dan moeten zij dat inzichtelijk maken met verifieerbare gegevens. Zoals overwogen in deze uitspraak is daarvoor wel noodzakelijk dat gedeputeerde staten een op dit specifieke bouwproject toegesneden motivering geven van de kwalitatieve noodzaak van dit project en de effecten daarvan op andere segmenten van de woningmarkt in de (regio) Soest. Bestaande woningbouwonderzoeken kunnen deze motivering ondersteunen, maar uitsluitend wanneer de volgens gedeputeerde staten relevante uitkomsten van deze onderzoeken nauwkeurig worden beschreven en toegelicht in relatie tot het bouwproject in deze zaak. Daarbij kunnen gedeputeerde staten volstaan met de onderbouwing dat sprake is van een dwingende reden van een groot openbaar belang voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Indien immers deze onderbouwing deugdelijk is, is een nadere onderbouwing dat het nodig is om de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, niet noodzakelijk. Voor zover gedeputeerden staten ook de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden willen handhaven ter onderbouwing van de noodzaak, zullen zij die ook nader moeten onderbouwen.
35. Over de onderbouwing van de andere bevredigende oplossingen overweegt de rechtbank dat gedeputeerde staten dit gebrek kunnen herstellen door inzichtelijk te maken welke alternatieven zij bij hun beoordeling hebben betrokken en waaruit volgt dat deze alternatieven niet of minder geschikt zijn dan het bestaande plan. Daarbij geldt dat dit gebrek is hersteld als gedeputeerde staten inzichtelijk motiveren dat er geen andere bevredigende oplossingen bestaan die minder verstrekkende gevolgen hebben voor essentieel foerageergebied van de das.
36. Gedeputeerde staten moeten zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of zij gebruik wil maken van de gelegenheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Als gedeputeerde staten gebruik maken van die gelegenheid, krijgen zij daar acht weken de tijd voor. De rechtbank zal eisers vervolgens in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van gedeputeerde staten. Daarna zal de rechtbank in een einduitspraak beoordelen of de gebreken hersteld zijn en welke gevolgen dat heeft.