ECLI:NL:RBMNE:2025:5583

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
24/6154
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 AwrArt. 52a AwrArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen informatiebeschikking WOZ-waarde en weigering schadevergoeding redelijke termijn

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een informatiebeschikking van de heffingsambtenaar van de gemeente betreffende de WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2024. De heffingsambtenaar had eerst informeel om informatie gevraagd, waarna bij uitblijven van reactie een formele informatiebeschikking werd genomen. Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde en verzoekt tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eiser onvoldoende concreet zijn en niet slagen. De rechtbank benadrukt dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 47 Awr Pro gerechtigd is om informatie te vragen die relevant is voor de belastingheffing, zoals gesteld in het inlichtingenformulier. Eiser heeft tot op heden niet aan deze informatieverplichting voldaan.

De rechtbank geeft eiser een termijn van zes weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de termijn van twee jaar tussen ontvangst bezwaarschrift en uitspraak niet is overschreden. Verder wijst de rechtbank een verzoek tot proceskostenveroordeling wegens vermeend misbruik van procesrecht af, omdat onvoldoende bewijs is voor kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door eiser of zijn gemachtigde.

Uitkomst: Het beroep tegen de informatiebeschikking wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6154

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en

De heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , de heffingsambtenaar

(gemachtigde [gemachtigde] ).

Procesverloop

Op 28 februari 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de door de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) bij beschikking vastgestelde waarde van de woning aan de [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2024.
In het kader van de afhandeling van het bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij brief van 12 maart 2024 op grond van artikel 47, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) eiser verzocht inlichtingen te verstrekken over de toestand van de woning middels het invullen van een Inlichtingen Formulier Secondaire Kenmerken (IFSO). In deze brief heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat, indien het formulier niet binnen de gestelde tijd wordt geretourneerd, er een informatiebeschikking wordt genomen. Daarbij is vermeld dat dit inhoudt dat er een omgekeerde en verzwaarde bewijslast van kracht is inzake de gevraagde gegevens.
Vanwege het uitblijven van de gevraagde inlichtingen heeft de heffingsambtenaar op 8 mei 2024 een informatiebeschikking genomen op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr.
In de uitspraak op bezwaar van 24 september 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser van 13 mei 2024 tegen de informatiebeschikking ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 21 juli 2025. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Overwegingen
De informatiebeschikking
1. Eiser heeft in zijn beroepschrift en aanvullende geschriften diverse algemeen
geformuleerde argumenten aangevoerd, die geen van alle concreet zien op het onderhavige besluit dat de heffingsambtenaar heeft genomen. De gronden lijken vooral de vastgestelde WOZ-waarde te betwisten. Verder heeft eiser verzocht om vergoeding van immateriële schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. Op de zitting heeft eiser voor het eerst gronden tegen de informatiebeschikking aangevoerd. De rechtbank zal deze gronden bespreken voor zover de goede procesorde zich daartegen niet verzet.
2. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eiser niet slagen. De rechtbank vindt
verder van belang dat de heffingsambtenaar in eerste instantie bij brief van 12 maart 2024 via de informele weg om informatie heeft verzocht en pas een informatiebeschikking heeft genomen, nadat door eiser niet op dit verzoek is gereageerd. Op de zitting is namens eiser betoogd dat het inlichtingenformulier te algemeen van aard is. De gemachtigde wijst op de hoge leeftijd van zijn client. De rechtbank gaat daar niet in mee. In het inlichtingenformulier worden vragen gesteld omtrent de binnenkant van de woning, de installaties, constructies en onderhoud. Ook is er ruimte voor eiser om een toelichting te geven over zijn woning. In het kader van de behandeling van het bezwaar dat eiser heeft gemaakt tegen de aanslag voor het belastingjaar 2023 mocht de heffingsambtenaar deze informatie vragen. Artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awr [1] biedt daarvoor een wettelijke grondslag. De rechtbank ziet niet in waarom eiser deze informatie niet zou kunnen verstrekken.
3. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar meegedeeld dat er nog geen ingevuld
Inlichtingenformulier door eiser retour is gestuurd. Verder is er nog niet beslist op het bezwaar tegen de WOZ-aanslag voor het belastingjaar 2024.
4. De rechtbank zal daarom eiser nog een termijn van zes weken geven om alsnog aan zijn
informatieverplichting te voldoen.
5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
6. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke
termijn. De redelijke termijn is overschreden als tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak twee of meer is verstreken. Nu tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak minder dan twee jaar is verstreken is de redelijke termijn voor afdoening van de zaak niet overschreden. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.
Proceskosten en griffierecht
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten van eiser.
8. De heffingsambtenaar heeft verzocht om een vergoeding van de door hem gemaakte
proceskosten, meer in het bijzonder reiskosten, omdat de gemachtigde van eiser kennelijk onredelijk gebruik maakt van het procesrecht. Volgens de heffingsambtenaar is sprake van grievend gedrag en is niet het doel om een inhoudelijke discussie over de informatiebeschikking te hebben, maar om fouten bij de heffingsambtenaar en de rechtbank te ontlokken en proceskosten te gelde te maken. Daarbij wijst de heffingsambtenaar op een uitspraak van 20 augustus 2019 van het hof Arnhem-Leeuwarden [2] .
9. In artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht is
bepaald dat een natuurlijk persoon slechts in de proceskosten veroordeeld kan worden in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is sprake als op grond van bijzondere omstandigheden kan worden vastgesteld dat ten tijde van het instellen van beroep voor de belanghebbende evident was dat van het beroep geen positief resultaat was te verwachten. Hoewel de gemachtigde van eiser in de fase voor het vooronderzoek en op de zitting op bedroevende wijze procedeert ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat sprake is van misbruik van procesrecht. In de zaak waar de heffingsambtenaar op wijst was, anders dan hier het geval is, sprake van beledigend en grievend gedrag. Verder kwam in die zaak eiser zonder voorafgaand bericht niet opdagen op de zitting. Ook anderszins is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van eiser of gemachtigde. De rechtbank verwijst naar uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en van de meervoudige kamer van deze rechtbank [3] . De rechtbank wijst dit verzoek af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat eiser binnen een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dagtekening van deze uitspraak, de in de informatiebeschikking gestelde vragen dient te beantwoorden en de daarin verzochte informatie dient te verstrekken;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Kasi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025.
De griffier is verhinderd om te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.“Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur: a.de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;”
3.Uitspraak van 24 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:674 en van 31 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2562.