ECLI:NL:RBMNE:2025:5923

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
8 november 2025
Zaaknummer
UTR 24/6013
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV wegens onzorgvuldig medisch onderzoek in bezwaarprocedure

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak tussen eiseres en het UWV. In een eerdere tussenuitspraak had de rechtbank vastgesteld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts in bezwaar onzorgvuldig was, omdat er geen informatie was opgevraagd bij Aurelius over intensieve traumatherapieën en eiseres niet was opgeroepen voor een spreekuur, ondanks haar betoog over onderschatting van haar psychische beperkingen.

Het UWV heeft geweigerd de gebreken te herstellen en betoogde dat het onderzoek wel zorgvuldig was, onder meer omdat eiseres al door de primaire verzekeringsarts was onderzocht en de medische informatie van Aurelius in beroep was beoordeeld. De rechtbank volgt dit standpunt niet en oordeelt dat een spreekuurcontact en aanvullende informatie noodzakelijk zijn.

De rechtbank wijst ook het verzoek af om een onafhankelijke verzekeringsarts in te schakelen, maar bepaalt dat het heronderzoek door een andere verzekeringsarts moet worden verricht vanwege het verloren vertrouwen van eiseres in de oorspronkelijke arts. Omdat het UWV de gebreken niet heeft hersteld, verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de overwegingen.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV in de proceskosten van € 2.267,50 en bepaalt dat het griffierecht van € 51,- aan eiseres wordt vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd met opdracht tot een nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6013
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2025 op het beroep in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. L. van Etten)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.
(gemachtigde: mr. E.S. Träger)

Inleiding

1. Op 22 mei 2025 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak gedaan. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om de zorgvuldigheidsgebreken te herstellen.
2. Bij brief van 3 juni 2025 heeft het Uwv laten weten dat hij hier geen gebruik van maakt. Het Uwv is het niet eens met de tussenuitspraak en vindt het medisch onderzoek wél zorgvuldig. Eiseres heeft bij brief van 7 juli 2025 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 14 juli 2025 gesloten.

Overwegingen

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in die tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Tussenuitspraak
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek om twee redenen onzorgvuldig tot stand is gekomen. Allereerst heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de bezwaarfase ten onrechte geen informatie opgevraagd bij Aurelius over de behandelingen die eiseres daar vlak voor de datum in geding van 1 maart 2024 onderging. Dit terwijl deze intensieve trauma therapeutische behandelingen (exposure therapie en EMDR) een beduidend effect kunnen hebben op de mogelijkheden van eiseres en over het verloop van de behandelingen op dat moment geen informatie in het dossier zat.
5. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres ook ten onrechte niet opgeroepen voor het spreekuur, terwijl eiseres in bezwaar specifiek heeft betoogd dat de ernst van haar psychische beperkingen is onderschat, en dat heeft onderbouwd met medische informatie. Door eiseres niet op te roepen voor het spreekuur en ook geen informatie bij Aurelius op te vragen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende was voorgelicht.
6. In beroep heeft eiseres zelf informatie overgelegd van Aurelius over het verloop van haar behandelingen. De rechtbank heeft daarom in de tussenuitspraak bepaald dat het Uwv de gebreken kan herstellen door alsnog een zorgvuldig medisch heronderzoek te doen, waarbij het van belang is dat eiseres alsnog wordt opgeroepen voor een fysiek spreekuur en er, indien nodig, aanvullende medische informatie wordt opgevraagd bij Aurelius.
7. De rechtbank heeft hierbij bepaald dat het medisch heronderzoek door een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep moet worden verricht, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep die de medische beoordeling in bezwaar heeft verricht, in haar aanvullende rapporten in beroep volhardt in het standpunt dat het onderzoek zorgvuldig is geweest en eiseres het vertrouwen in die verzekeringsarts is verloren. Het verzoek van eiseres aan de rechtbank om een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige in te schakelen, heeft de rechtbank afgewezen.
Standpunt Uwv
8. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek wél zorgvuldig is geweest. Volgens het Uwv was het niet nodig om eiseres op te roepen voor een spreekuurcontact, omdat zij al door de primaire verzekeringsarts op het spreekuur was gezien en onderzocht. Het specifieke betoog van eiseres in bezwaar dat de ernst van haar psychische beperkingen zou zijn onderschat en de medische informatie die zij ter onderbouwing heeft meegestuurd, betekenen op zichzelf nog niet dat zij voor het spreekuur moet worden uitgenodigd. Volgens het Uwv volgt dit niet uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals uit de uitspraak van 9 april 2025. [1]
9. Verder was het volgens het Uwv ook niet nodig om informatie op te vragen bij Aurelius over de behandelingen van eiseres. In de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de brief van de GZ-psycholoog van 9 april 2024 namelijk al betrokken bij haar beoordeling, en daarin wordt ook verwezen naar de behandelingen bij Aurelius. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de beroepsfase de informatie van Aurelius die eiseres heeft ingediend, alsnog beoordeeld en geconcludeerd dat daarin geen aanleiding bestaat voor een gewijzigd standpunt over de belastbaarheid van eiseres op 1 maart 2024. Voor zover er dus al sprake was van een gebrek, was dat in beroep al hersteld.
10. Tot slot is het Uwv het niet eens met de conclusie van de rechtbank dat het heronderzoek door een andere verzekeringsarts moet worden verricht. Het Uwv vindt het ongewenst dat het opzeggen van het vertrouwen door eiseres in de verzekeringsarts bezwaar en beroep (omdat zij het niet eens is met de redeneringen en conclusies van deze verzekeringsarts) hiermee in feite wordt gerechtvaardigd. In het licht hiervan vraagt het Uwv de rechtbank om de afwijzing van het verzoek om een deskundige in te schakelen, te heroverwegen.
Standpunt eiseres
11. Eiseres heeft de rechtbank ook gevraagd om de afwijzing van het verzoek om een deskundige in te schakelen, te heroverwegen. Nu het Uwv het niet eens is met de tussenuitspraak is eiseres bang dat dit uitloopt op een procedure in hoger beroep, met alle vertraging van dien. Daar is eiseres niet bij gebaat.
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank volgt het Uwv allereerst niet in het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres niet hoefde uit te nodigen voor het spreekuur. Het klopt (en dat volgt ook uit de uitspraak van de CRvB van 9 april 2025 waar het Uwv op wijst) dat het bij betwisting van de medische grondslag in bezwaar, niet altijd is vereist dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep de betrokkene onderzoekt op een spreekuur. Het is volgens vaste rechtspraak echter wel
het uitgangspuntdat als de medische grondslag van de besluitvorming wordt betwist, een louter dossieronderzoek in de regel niet volstaat. [2] Die invalshoek maakt een wezenlijk verschil.
13. Van een spreekuurcontact kan in beginsel slechts worden afgezien als de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft. In het specifieke geval van eiseres was dit naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk. Naast het feit dat eiseres in bezwaar specifiek heeft betoogd dat de ernst van haar psychische beperkingen is onderschat en dat heeft onderbouwd met medische informatie, was zij tot vlak voor de datum in geding namelijk onder intensieve behandeling bij Aurelius en zat er over het verloop van die behandelingen geen informatie in het dossier. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft.
14. De rechtbank volgt het Uwv ook niet in het standpunt dat het niet nodig was om informatie op te vragen bij Aurelius over de behandelingen van eiseres. Volgens vaste rechtspraak moet de verzekeringsarts de behandelend sector raadplegen als er een behandeling plaatsvindt die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van de betrokkene tot het verrichten van arbeid. [3] Dat was hier het geval. Dat er al (voldoende) informatie over de behandelingen volgde uit de brief van de GZ-psycholoog van 9 april 2024 volgt de rechtbank niet. Deze brief bevat alleen de bij eiseres gestelde diagnosen: informatie over het verloop van de behandelingen ontbreekt. Tot slot heeft de rechtbank onderkend dat eiseres in beroep zelf informatie heeft overgelegd van Aurelius over het verloop van haar behandelingen. Om die reden heeft de rechtbank in de tussenuitspraak bepaald dat er,
indien nodig, aanvullende medische informatie moet worden opgevraagd bij Aurelius. De rechtbank heeft het dus aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelaten om dat te beoordelen.
15. De rechtbank volgt het Uwv evenmin in het standpunt dat het heronderzoek niet door een andere verzekeringsarts hoeft te worden verricht. De rechtbank heeft hier niet alleen aanleiding toe gezien omdat eiseres het vertrouwen is verloren in de verzekeringsarts bezwaar en beroep die de beoordeling in bezwaar heeft verricht, maar vooral omdat deze verzekeringsarts in haar aanvullende rapporten in beroep volhardt in het standpunt dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft het in dat geval niet zinvol geacht om het herstel van de zorgvuldigheidsgebreken aan deze verzekeringsarts over te laten.
16. Tot slot ziet de rechtbank in wat partijen naar voren hebben gebracht, geen aanleiding om alsnog een onafhankelijke verzekeringsarts in te schakelen als deskundige. Voor het inschakelen van een (medische) deskundige bestaat alleen aanleiding als de rechtbank zich inhoudelijk wil laten voorlichten over de zaak. Gebreken in de zorgvuldige voorbereiding van een besluit, zoals hier aan de orde, kunnen worden hersteld door het Uwv. Dat het Uwv daar in dit geval niet toe bereid is, omdat het Uwv het niet eens is met de tussenuitspraak, maakt dat niet anders. De rechtbank begrijpt dat eiseres niet gebaat zal zijn bij een (eventuele) hoger beroepsprocedure daarover, maar ook dat kan niet betekenen dat de rechtbank alsnog een deskundige verzekeringsarts inschakelt.

Conclusie

17. Omdat de zorgvuldigheidsgebreken niet zijn hersteld, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij het bestreden besluit. Dat betekent dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres. Dat moet het Uwv doen met inachtneming van wat de rechtbank in deze uitspraak en in de tussenuitspraak heeft overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken, die ingaat op de dag na die waarop deze uitspraak is verzonden.
18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij het Uwv in de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt. De rechtbank stelt de kosten voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand van de gemachtigde van eiseres vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroep, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0.5 punt voor de schriftelijke reactie na de tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 907,--, onder een wegingsfactor 1).
19. De rechtbank bepaalt tot slot dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,-- aan eiseres moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit;
 draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
 veroordeelt het Uwv in de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt tot een bedrag van € 2.267,50;
 bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,-- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.
(de griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen)
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak (en de tussenuitspraak), kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2050.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 20 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1937.