Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Hendrik DULACK Q.Q.in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [onderneming] B.V.,
Louis Laurence DE BOEF Q.Q.in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [onderneming] B.V., kantoorhoudende in Veenendaal,
1.de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid COÖPERATIEVE RABOBANK
[A],
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De achtergrond van het geschil
4.De beoordeling
maghouden met de ruime toezichtsbevoegdheid van de rechter-commissaris. [6] De rechtbank zal hierna alleen het oordeel van de rechter-commissaris over het procesrisico van de procedure waar het gaat om het handelen van Rabobank en [A] met enige afstand toetsen. De rechter-commissaris is namelijk al lang bij dit faillissement betrokken, waardoor hij beter op de hoogte is van het geschil van de curatoren met Rabobank en [A] . Bovendien stellen Rabobank en [A] terecht dat de rechter-commissaris over meer documenten beschikt om zijn oordeel op te baseren dan de rechtbank. Zo heeft de rechter-commissaris de lastgevingsovereenkomst tussen de curatoren en de 118 schuldeisers (anders dan de rechtbank). De rest van het oordeel van de rechter-commissaris zal wel volledig worden getoetst.
- de proceskansen
- de te verwachten opbrengst (zowel wat betreft de uitkomst van de procedure als de verhaalsmogelijkheden)
- de kosten en risico’s van een procedure (bijvoorbeeld kostenveroordeling en eventuele tegenvorderingen) en
- andere omstandigheden die van belang zijn bij het beheer en de vereffening van de boedel,
Dit standpunt is juist als de rechter in de bodemprocedure oordeelt dat de curatoren ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Dat is het geval als de curatoren de schadevergoeding voor de 118 schuldeisers mogen vorderen op basis van lastgeving. Als dat mag, vloeit daaruit voort dat deze werkzaamheden van de curator ook onder de taak van de curator vallen. Als het de taak van de curator is, moet de vraag of deze schuldeisers bij de procedure belang hebben, worden meegewogen binnen het boedelbelang. De 118 schuldeisers zijn dan namelijk onderdeel van de gezamenlijke schuldeisers.
Als de bodemrechter oordeelt dat de curatoren de schadevordering op basis van lastgeving
nietmogen instellen, is optreden voor deze schuldeisers geen taak van de curator en hoeft het belang van deze schuldeisers dus ook niet te worden meegewogen in het belang van de boedel. Uit de motivering van de rechter-commissaris in de beschikking is niet af te leiden dat hij deze mogelijkheid ook heeft meegewogen. Daarom slaagt beroepsgrond 1.
ofde curatoren ontvankelijk zijn in de bodemprocedure. Deze belangenafweging leidt alsnog tot de conclusie dat de machtiging moet worden geweigerd.
- de belangen van individuele schuldeisers
- de betalingen die zij buiten de boedel om ontvangen
- het maatschappelijk belang van een effectieve en efficiënte bestrijding van verhaalsbenadeling.
[achternaam] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank. [15] Uit deze jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt dus te volgen dat optreden voor een beperkte groep van de schuldeisers niet tot de wettelijke taak van de curator hoort. Optreden voor een beperkte groep schuldeisers is wel wat de curatoren van plan zijn te doen. De schadevordering die de curatoren willen instellen is niet voor de gezamenlijke schuldeisers, maar voor 118 individuele schuldeisers.
Butterman q.q./Rabobankeen vordering ingesteld voor individuele schuldeisers op basis van een volmacht. [16] Dat dit voor een last anders zou zijn dan voor een volmacht ligt niet erg voor de hand. Dit verschil doet niet af aan het uitgangspunt dat de Hoge Raad lijkt te hanteren (alleen gezamenlijke schuldeisers). Ook de omstandigheid dat de netto-opbrengst van de procedure bij de benadeelde schuldeisers komt en niet in de boedel valt, geeft geen lager procesrisico. De Hoge Raad heeft namelijk expliciet geoordeeld dat de bestemming van de opbrengst “
niet van belang is voor de beoordeling van de bevoegdheid van de curator een vordering als de onderhavige in te stellen”. [17] Ook de laatste omstandigheid (er is voor deze schuldeisers geen andere manier om hun schade te verhalen) geeft geen ander oordeel. De curatoren hebben onvoldoende onderbouwd waarom de schade van de individuele schuldeisers te laag zou zijn om zelf een procedure kunnen starten. Met een gestelde schade van € 2.407.675 ligt dat niet erg voor de hand. Rabobank heeft verder onweersproken aangevoerd dat 6 van de 118 schuldeisers substantiële vorderingen hebben. De curatoren hebben een uitgebreid onderzoek gedaan, waarvan deze schuldeisers zo nodig gebruik zouden kunnen maken in een procedure tegen Rabobank en/of [A] . Ten slotte is door de curatoren nog verwezen naar literatuur en jurisprudentie van vóór de arresten van de Hoge Raad
[achternaam] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank.Het had op de weg van de curatoren gelegen om toe te lichten waarom deze literatuur en jurisprudentie nog actueel is. De Hoge Raad heeft immers in
[achternaam] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobankanders geoordeeld dan de door de curatoren aangehaalde jurisprudentie en literatuur is gedaan.
- Een insolvente onderneming mag buiten faillissement worden gehouden om daarmee de waarde van activa te vergroten, zoals Rabobank heeft gedaan. Daarbij moet Rabobank rekening houden met de belangen van de schuldeisers van de onderneming. Rabobank heeft een zorgplicht naar de (toekomstige) schuldeisers van de onderneming.
- De rechter-commissaris overweegt dat er reden is om de vordering op Rabobank voor te leggen aan de civiele rechter omdat Rabobank:
- Voor [A] geldt dit niet, volgens de rechter-commissaris. [A] is op verzoek van Rabobank aangesteld als bestuurder van een onderneming in financiële nood en de herfinanciering op basis van het reddingsplan was toen al achterhaald. De rechter-commissaris oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat [A] met de voortzetting van [onderneming] onverantwoorde risico’s heeft genomen.