ECLI:NL:RBMNE:2025:5959

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
F-16/17/23
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 FwArt. 68 lid 3 FwArt. 69 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering machtiging curatoren voor procedure tegen Rabobank en bestuurder wegens schadevergoeding aan schuldeisers

De curatoren van het faillissement van [onderneming] B.V. verzochten om een machtiging om een gerechtelijke procedure te starten tegen Rabobank en een bestuurder ([A]) om schadevergoeding te vorderen voor 118 schuldeisers. Deze schuldeisers zouden schade hebben geleden doordat zij onverhaalbare vorderingen op [onderneming] verkregen of verhoogd hebben in de twaalf maanden voorafgaand aan het faillissement. De rechter-commissaris had deze machtiging geweigerd en de rechtbank bevestigt deze weigering in hoger beroep.

De rechtbank oordeelt dat de curatoren ontvankelijk zijn in het beroep, ondanks dat de beroepsgronden niet tijdig waren ingediend, vanwege het belang van goede rechtspleging en de omstandigheden van het faillissement. De rechtbank toetst de beslissing van de rechter-commissaris niet marginaal, maar met enige afstand, waarbij rekening wordt gehouden met diens ruime toezichtsbevoegdheid en kennis van het dossier.

De rechtbank stelt dat de rechter-commissaris terecht heeft geoordeeld dat de curatoren niet mogen procederen namens een beperkte groep individuele schuldeisers, maar alleen namens de gezamenlijke schuldeisers. De curatoren hebben onvoldoende onderbouwd waarom zij wel voor deze groep mogen optreden. Daarnaast weegt de rechtbank het hoge procesrisico, de kosten van de procedure, de beperkte opbrengst voor de boedel en het belang van een voortvarende afwikkeling van het faillissement mee. Ook het maatschappelijk belang van efficiënte verhaalsbestrijding speelt een beperkte rol.

Uiteindelijk concludeert de rechtbank dat de belangenafweging leidt tot het bevestigen van de weigering van de machtiging. De curatoren kunnen de procedure niet starten namens de 118 schuldeisers. De vordering tot proceskostenveroordeling van Rabobank en [A] wordt afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van de machtiging aan de curatoren om namens 118 schuldeisers een procedure te starten tegen Rabobank en [A].

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: F-16/17/23
Beschikking van 12 november 2025
in de zaak van
1. de heer mr.
Hendrik DULACK Q.Q.in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [onderneming] B.V.,
kantoorhoudende in Utrecht,
2. de heer mr.
Louis Laurence DE BOEF Q.Q.in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [onderneming] B.V., kantoorhoudende in Veenendaal,
verzoekers,
hierna: de curatoren,
advocaat: mr. R.J. van der Weijden,
waarbij de rechtbank als belanghebbenden aanmerkt:

1.de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid COÖPERATIEVE RABOBANK

U.A.
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. E.R. Meerdink, mr. M. Haentjens en mr. E.C.L. van de Langerijt,
2. de heer
[A],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.A. van de Wakker.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift
- het aanvullende beroepschrift
- het verweerschrift van de Rabobank
- het verweerschrift van [A]
- de door de griffier opgestelde zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 13 oktober 2025.

2.De kern van de zaak

2.1.
De curatoren willen een machtiging om een gerechtelijke procedure te starten tegen de Rabobank en [A] om een schadevergoeding voor 118 schuldeisers van [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ) te vorderen. [1] De rechter-commissaris heeft deze machtiging geweigerd. Ook de rechtbank weigert deze machtiging in hoger beroep.

3.De achtergrond van het geschil

De procedure waarvoor de curatoren een machtiging hebben gevraagd
3.1.
De curatoren willen een gerechtelijke procedure starten tegen Rabobank en [A] . Daarin willen zij schadevergoeding vorderen voor 118 schuldeisers van [onderneming] . Deze schuldeisers hebben volgens de curatoren schade geleden doordat zij in de 12 maanden voor het faillissement van [onderneming] een onverhaalbare vordering op [onderneming] hebben verkregen en/of hun onverhaalbare vordering is toegenomen. De totale schade van deze schuldeisers zou € 2.407.675 zijn. Het verwijt aan Rabobank is dat zij deze vorderingen heeft laten ontstaan door de financiering met [onderneming] uit te breiden, terwijl zij wist of had moeten weten dat [onderneming] geen reëel toekomstperspectief meer had en dus waarschijnlijk failliet zou gaan. Het verwijt aan [A] is dat hij de exploitatie van [onderneming] heeft voortgezet met diezelfde wetenschap.
3.2.
De curatoren hebben overeenkomsten van lastgeving met de 118 schuldeisers gesloten. De kosten van de procedure komen niet voor rekening van de boedel, maar voor rekening van de benadeelde schuldeisers voor wie de curatoren op basis van lastgeving optreden. Maar deze kosten worden wel voorgeschoten door de boedel. Bij een positief resultaat worden uit de bruto-opbrengst van de procedure eerst de door de boedel voorgeschoten kosten terugbetaald. Daarbovenop ontvangt de boedel een sucess fee als vergoeding voor het procesrisico. De vervolgens resterende netto-opbrengst van de procedure wordt niet aan het boedelactief toegevoegd, maar wordt rechtstreeks uitgekeerd aan de benadeelde schuldeisers.

4.De beoordeling

De curatoren zijn ontvankelijk in dit beroep
4.1.
Op grond van artikel 67 Fw Pro moet tegen een beschikking van de rechter-commissaris binnen vijf dagen hoger beroep worden ingesteld. In een beroepschrift moeten in beginsel de gronden van het beroep staan. [2] Omdat de termijn van vijf dagen zo kort is, wordt op deze hoofdregel een uitzondering gemaakt. Die uitzondering is dat als de gronden voor de rechtbank niet uit het aard van het oorspronkelijke verzoek zelf voldoende duidelijk volgen, de beroepsgronden met bekwame spoed in een aanvullend beroepschrift naar voren moeten worden gebracht. [3]
4.2.
Het beroepschrift van de curatoren is op 20 mei 2025 ter griffie van deze rechtbank binnengekomen en richt zich tegen de beschikking van 16 mei 2025. Daarin staan de beroepsgronden nog niet. De beroepsgronden zijn door de curatoren op 21 augustus 2025 bij de rechtbank ingediend.
4.3.
Volgens Rabobank en [A] zijn de curatoren niet-ontvankelijk in hun beroep, omdat de beroepsgronden niet tijdig zijn ingediend. De rechtbank oordeelt dat de curatoren wel ontvankelijk zijn in hun beroep, omdat in dit geval het belang van goede rechtspleging niet meebrengt dat de gronden al in het beroepsschrift moeten staan of eerder dan drie maanden na het indienen van het beroepschrift moeten zijn ingediend. Dit oordeel baseert de rechtbank op de volgende omstandigheden:
De hoger beroepstermijn tegen een beslissing van de rechter-commissaris als hier aan de orde is kort. Zo wordt voorkomen dat hoger beroep tegen bijvoorbeeld een toestemming van de rechter-commissaris om een deel van de onderneming te verkopen, wordt achterhaald door de ontwikkelingen in een faillissement. In dit geval is er geen sprake van een beslissing onder tijdsdruk. Het faillissement loopt al jaren en de voorliggende vraag is of de curatoren een procedure mogen starten. De rechtbank heeft het beroep niet snel kunnen inplannen (mede door de agenda’s van betrokkenen en hun advocaten). De zitting om het beroep te behandelen is namelijk bijna vijf maanden na het binnenkomen van het beroepsschrift ingepland (13 oktober 2025).
In hun beroepschrift hebben curatoren aangegeven dat zij de gronden voor het beroep zullen indienen een aantal weken voorafgaand aan de door de rechtbank te plannen zitting. De rechtbank heeft daarop geen andere termijn gesteld en ook Rabobank en [A] hebben hier niet over geklaagd voorafgaand aan hun verweerschriften.
De gronden van het hoger beroep zijn ruim voor de zitting (7,5 week van tevoren) door de curatoren bij de rechtbank ingediend en aan Rabobank en [A] verzonden.
Uit het beroepsschrift en de processtukken in eerste aanleg volgt al duidelijk waar het geschil over gaat en waarom de curatoren een machtiging van de rechter-commissaris willen.
De gevraagde procesmachtiging wordt geweigerd
De toetsing van de beslissing van de hoger beroepsrechter
4.4.
Op grond van artikel 68 lid 3 Fw Pro hebben de curatoren een machtiging van de rechter-commissaris nodig om een gerechtelijke procedure te starten. Het is de taak van de rechter-commissaris, beslissend op basis van artikel 69 Fw Pro, en van de rechtbank in hoger beroep, om het beleid van de curatoren in volle omvang te toetsen. [4] Er is geen reden waarom dit voor de procesmachtiging op grond van artikel 68 lid 3 Fw Pro anders zou zijn. [5] Het standpunt van Rabobank dat de rechtbank (hier als hoger beroepsrechter) de beslissing van de rechter-commissaris van 16 mei 2025 marginaal moet toetsen is dan ook onjuist.
4.5.
Het is wel zo dat de rechtbank als hoger beroepsrechter rekening
maghouden met de ruime toezichtsbevoegdheid van de rechter-commissaris. [6] De rechtbank zal hierna alleen het oordeel van de rechter-commissaris over het procesrisico van de procedure waar het gaat om het handelen van Rabobank en [A] met enige afstand toetsen. De rechter-commissaris is namelijk al lang bij dit faillissement betrokken, waardoor hij beter op de hoogte is van het geschil van de curatoren met Rabobank en [A] . Bovendien stellen Rabobank en [A] terecht dat de rechter-commissaris over meer documenten beschikt om zijn oordeel op te baseren dan de rechtbank. Zo heeft de rechter-commissaris de lastgevingsovereenkomst tussen de curatoren en de 118 schuldeisers (anders dan de rechtbank). De rest van het oordeel van de rechter-commissaris zal wel volledig worden getoetst.
Het toetsingskader van artikel 68 Fw Pro
4.6.
Bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 68 lid 3 Fw Pro moet de rechter-commissaris inschatten in hoeverre het wenselijk is om een procedure te starten. Daarbij moet hij zich in de eerste plaats laten leiden door het belang van de boedel. [7] Daarbij wordt onder meer gekeken naar:
  • de proceskansen
  • de te verwachten opbrengst (zowel wat betreft de uitkomst van de procedure als de verhaalsmogelijkheden)
  • de kosten en risico’s van een procedure (bijvoorbeeld kostenveroordeling en eventuele tegenvorderingen) en
  • andere omstandigheden die van belang zijn bij het beheer en de vereffening van de boedel,
Beroepsgrond 1 slaagt
4.7.
De rechter-commissaris heeft bij de beoordeling van de vraag of de machtiging moet worden verleend, gekeken naar het belang van de gezamenlijke schuldeisers. [9] De curatoren stellen zich op het standpunt dat de rechter-commissaris niet alleen de vraag had moeten stellen of de ‘gezamenlijke schuldeisers’ – in andere woorden de boedel – bij de voorgenomen procedure belang hebben, maar ook of de schuldeisers belang hebben bij de procedure.
Dit standpunt is juist als de rechter in de bodemprocedure oordeelt dat de curatoren ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Dat is het geval als de curatoren de schadevergoeding voor de 118 schuldeisers mogen vorderen op basis van lastgeving. Als dat mag, vloeit daaruit voort dat deze werkzaamheden van de curator ook onder de taak van de curator vallen. Als het de taak van de curator is, moet de vraag of deze schuldeisers bij de procedure belang hebben, worden meegewogen binnen het boedelbelang. De 118 schuldeisers zijn dan namelijk onderdeel van de gezamenlijke schuldeisers.
Als de bodemrechter oordeelt dat de curatoren de schadevordering op basis van lastgeving
nietmogen instellen, is optreden voor deze schuldeisers geen taak van de curator en hoeft het belang van deze schuldeisers dus ook niet te worden meegewogen in het belang van de boedel. Uit de motivering van de rechter-commissaris in de beschikking is niet af te leiden dat hij deze mogelijkheid ook heeft meegewogen. Daarom slaagt beroepsgrond 1.
4.8.
Verderop in deze beschikking zal de rechtbank een afweging maken van alle belangen, waaronder de belangen van de 118 schuldeisers in de situatie dat de curatoren ontvankelijk zijn in de bodemprocedure èn de proceskans
ofde curatoren ontvankelijk zijn in de bodemprocedure. Deze belangenafweging leidt alsnog tot de conclusie dat de machtiging moet worden geweigerd.
Beroepsgronden 2 en 3 slagen niet
4.9.
Beroepsgronden 2 en 3 zullen worden besproken, ondanks dat beroepsgrond 1 wordt gehonoreerd. De reden daarvoor is dat beroepsgronden 2 en 3 af te wegen belangen noemen voor het geval de curatoren niet kunnen optreden voor de belangen van de individuele schuldeisers. De curatoren voeren bij beroepsgrond 2 aan dat de rechter-commissaris bij zijn afweging ook had moeten kijken naar:
  • de belangen van individuele schuldeisers
  • de betalingen die zij buiten de boedel om ontvangen
  • het maatschappelijk belang van een effectieve en efficiënte bestrijding van verhaalsbenadeling.
Deze beroepsgrond miskent dat het uitgangspunt is dat de curator zich moet laten leiden door het belang van de boedel. [10] Het beheer van de curator strekt zich tot de gezamenlijke schuldeisers uit maar daarbij moet hij rekening houden met andere belangen. [11] De curatoren hebben onvoldoende toegelicht waarom in dit geval met de belangen van individuele schuldeisers rekening moet worden gehouden als uitzondering op dit uitgangspunt.
4.10.
Als de curatoren in de bodemprocedure ontvankelijk zijn om namens de 118 schuldeisers op basis van lastgeving op te treden, kan het maatschappelijk belang van effectieve en efficiënte bestrijding van verhaalsbenadeling een (beperkte) rol spelen. Maar het belang van de boedel blijft het uitgangspunt. Beroepsgrond 2 slaagt dan ook niet.
4.11.
Volgens de curatoren miskent de rechter-commissaris dat het belang van de gezamenlijke schuldeisers ook dat van de boedelschuldeisers omvat (beroepsgrond 3). Deze beroepsgrond faalt, omdat de rechter-commissaris dit juist wel heeft onderkend. Zo oordeelt de rechter-commissaris over het belang van de boedelschuldeisers in zijn beschikking:
“Anders dan het geval was in 2023, is er bij de huidige stand van de boedel geen
kans dat voor faillissementsschuldeisers enige opbrengst wordt gerealiseerd. Het procesrisico en de opbrengst van een procedure gaan nog uitsluitend de boedelschuldeisers aan.” [12]
Beroepsgrond 4 slaagt niet
4.12.
Beroepsgrond 4 richt zich tegen het oordeel van de rechter-commissaris over het procesrisico dat de curatoren niet ontvankelijk zullen zijn in de bodemprocedure. De curatoren hebben van de 118 schuldeisers een lastgeving ontvangen om Rabobank en [A] aansprakelijk te stellen voor hun schade en die te incasseren. In de beschikking overweegt de rechter-commissaris dat de constructie van lastgeving voor een beperkte groep schuldeisers een (hoog) procesrisico oplevert. Zo overweegt de rechter-commissaris:
In dit geval speelt daarbij een rol dat naar de huidige stand van de jurisprudentie de Curatoren niet op basis van een overeenkomst mogen procederen voor een beperkte groep schuldeisers.Aan Curatoren kan worden toegegeven dat de arresten van de Hoge Raad ruimte laten voor de mogelijkheid dat zij voor een groep individuele schuldeisers mogen optreden op basis van lastgeving, als de opbrengsten van de procedure maar aan die schuldeisers toekomen en niet via de boedel worden verdeeld. De Curatoren hebben gewezen op de discussie die daarover in de rechtspraak en literatuur wordt gevoerd. Een inhoudelijke beslissing op dit punt hoort thuis in een procedure voor de gewone civiele rechter en kan niet worden beslecht in het kader van de beoordeling van het onderhavige verzoek.Wel is in deze discussie een procesrisico gelegen [13] [onderstreping rechterbank]
4.13.
De rechter-commissaris heeft terecht geoordeeld dat aan het procederen op basis van lastgeving namens individuele schuldeisers een hoog procesrisico verbonden is. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de curator ook bevoegd is voor belangen van schuldeisers op te komen bij benadeling door de gefailleerde. In zo een geval mag de curator onder omstandigheden een vordering tot schadevergoeding instellen tegen een derde die bij de benadeling van schuldeisers betrokken is, ook al kwam die vordering niet aan de gefailleerde zelf toe. [14] Maar dit kan alleen als de vordering wordt ingesteld voor de gezamenlijke schuldeisers en dus niet voor een beperkte groep individuele schuldeisers. Dit laatste valt namelijk niet onder de beheertaak van curator, aldus de Hoge Raad in de arresten
[achternaam] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank. [15] Uit deze jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt dus te volgen dat optreden voor een beperkte groep van de schuldeisers niet tot de wettelijke taak van de curator hoort. Optreden voor een beperkte groep schuldeisers is wel wat de curatoren van plan zijn te doen. De schadevordering die de curatoren willen instellen is niet voor de gezamenlijke schuldeisers, maar voor 118 individuele schuldeisers.
4.14.
Wat hun zaak volgens de curatoren anders maakt, is dat:
de curatoren een last hebben om op te komen voor de 118 schuldeisers,
de netto-opbrengst van de procedure alleen bij de benadeelde schuldeisers (de 118 schuldeisers) komt, en niet ook bij de niet-benadeelde boedelschuldeisers,
het de enige manier is waarop benadeelde schuldeisers hun schade vergoed krijgen.
De curatoren onderbouwen onvoldoende waarom deze omstandigheden ertoe zouden moeten leiden dat het procesrisico niet hoog is. Zo werd in het arrest
Butterman q.q./Rabobankeen vordering ingesteld voor individuele schuldeisers op basis van een volmacht. [16] Dat dit voor een last anders zou zijn dan voor een volmacht ligt niet erg voor de hand. Dit verschil doet niet af aan het uitgangspunt dat de Hoge Raad lijkt te hanteren (alleen gezamenlijke schuldeisers). Ook de omstandigheid dat de netto-opbrengst van de procedure bij de benadeelde schuldeisers komt en niet in de boedel valt, geeft geen lager procesrisico. De Hoge Raad heeft namelijk expliciet geoordeeld dat de bestemming van de opbrengst “
niet van belang is voor de beoordeling van de bevoegdheid van de curator een vordering als de onderhavige in te stellen”. [17] Ook de laatste omstandigheid (er is voor deze schuldeisers geen andere manier om hun schade te verhalen) geeft geen ander oordeel. De curatoren hebben onvoldoende onderbouwd waarom de schade van de individuele schuldeisers te laag zou zijn om zelf een procedure kunnen starten. Met een gestelde schade van € 2.407.675 ligt dat niet erg voor de hand. Rabobank heeft verder onweersproken aangevoerd dat 6 van de 118 schuldeisers substantiële vorderingen hebben. De curatoren hebben een uitgebreid onderzoek gedaan, waarvan deze schuldeisers zo nodig gebruik zouden kunnen maken in een procedure tegen Rabobank en/of [A] . Ten slotte is door de curatoren nog verwezen naar literatuur en jurisprudentie van vóór de arresten van de Hoge Raad
[achternaam] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank.Het had op de weg van de curatoren gelegen om toe te lichten waarom deze literatuur en jurisprudentie nog actueel is. De Hoge Raad heeft immers in
[achternaam] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobankanders geoordeeld dan de door de curatoren aangehaalde jurisprudentie en literatuur is gedaan.
Beroepsgronden 5 en 6 slagen niet
4.15.
Als het gaat om de aansprakelijkheid van Rabobank en [A] overweegt de rechter-commissaris het volgende:
  • Een insolvente onderneming mag buiten faillissement worden gehouden om daarmee de waarde van activa te vergroten, zoals Rabobank heeft gedaan. Daarbij moet Rabobank rekening houden met de belangen van de schuldeisers van de onderneming. Rabobank heeft een zorgplicht naar de (toekomstige) schuldeisers van de onderneming.
  • De rechter-commissaris overweegt dat er reden is om de vordering op Rabobank voor te leggen aan de civiele rechter omdat Rabobank:
  • Voor [A] geldt dit niet, volgens de rechter-commissaris. [A] is op verzoek van Rabobank aangesteld als bestuurder van een onderneming in financiële nood en de herfinanciering op basis van het reddingsplan was toen al achterhaald. De rechter-commissaris oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat [A] met de voortzetting van [onderneming] onverantwoorde risico’s heeft genomen.
Zoals hiervoor in 4.5 is overwogen, zal de rechtbank dit oordeel van de rechter-commissaris met enige afstand toetsen. Het oordeel van de rechter-commissaris is gemotiveerd en de rechtbank ziet geen reden om dit oordeel niet te volgen. Beroepsgronden 5 en 6 falen dan ook.
Belangenafweging procesmachtiging
4.16.
Omdat beroepsgrond 1 slaagt, zal de rechtbank een nieuwe afweging maken of een machtiging moet worden verleend. De onderdelen bij die afweging zullen hierna worden besproken.
De proceskansen
4.17.
De rechter-commissaris beoordeelt het procesrisico voor de hele procedure als hoog. De rechtbank volgt dat, zoals hiervoor is gemotiveerd.
De kosten en de te verwachten opbrengst
4.18.
De curatoren hebben de kosten voor een procedure in eerste aanleg ingeschat op een bedrag van € 150.000. De rechtbank schat daarbij in dat de kans op hoger beroep (en cassatie) hoog is als de curatoren in eerste aanleg gelijk krijgen. Dat betekent dat de proceskosten substantieel hoger kunnen gaan worden voor de boedel. De boedel draagt de proceskosten als de vorderingen van de curatoren als lastgevers worden afgewezen (in eerste aanleg of in een hogere instantie). Dat betekent dat de uiteindelijke kosten (veel) hoger kunnen zijn dan € 150.000. De opbrengst voor de boedel is maximaal € 481.535,01, naast vergoeding van circa € 150.000 aan kosten die de curatoren ten laste van de boedel hebben gemaakt om deze vorderingen te onderbouwen. Het bedrag van € 481.535,01 is de maximale succesfee die aan de boedel betaald wordt als de bodemrechter de volledige schadevergoeding toewijst. Uit de behandeling ter zitting volgt dat de hoogte van dit bedrag inhoudelijk wordt betwist en de schade ook nog niet zo eenvoudig is vast te stellen. Dat Rabobank en/of [A] aansprakelijk zijn, maar toch een (veel) lager bedrag wordt toegewezen, is een risico. Al met al is er een substantieel risico op een voor de boedel negatieve uitkomst van € 150.000 plus eventuele kosten van hoger beroep en of cassatie en proceskostenvergoedingen te betalen aan Rabobank en [A] waartegenover een maximale opbrengst staat van ruim € 480.000 en vergoeding van al gemaakte kosten van afgerond € 150.000.
De voortvarende afwikkeling van het faillissement van [onderneming]
4.19.
[onderneming] is in januari 2017 failliet verklaard. De curatoren hebben tijdens de zitting aangegeven dat alleen de procedure die zij willen voeren voor de 118 schuldeisers nog aan de afwikkeling van het faillissement van [onderneming] in de weg staat. Het is in het belang van de boedelschuldeisers dat dit faillissement wordt afgewikkeld en zij hun uitkering ontvangen.
Effectieve en efficiënte bestrijding van verhaalsbenadeling
4.20.
Ook het maatschappelijk belang van een effectieve en efficiënte bestrijding van verhaalsbenadeling weegt mee, maar wel beperkt. De individuele schuldeisers kunnen namelijk ook zelf een procedure starten. Zoals eerder overwogen hebben de curatoren onvoldoende onderbouwd waarom dit niet zou kunnen.
Conclusie
4.21.
Als alle hiervoor genoemde belangen worden afgewogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de rechter-commissaris de verzochte procesmachtiging terecht heeft geweigerd. Het hoge procesrisico en de kosten in verhouding met de maximale door de boedel ontvangen vergoeding (na aftrek van de gemaakte kosten), de tijd die deze procedure gaat duren en het feit dat het faillissement van [onderneming] al lang duurt en door deze procedure niet kan worden afgewikkeld, moeten tot een afwijzing van het machtigingsverzoek leiden. Het maatschappelijk belang van efficiënte verhaalsbenadeling en de belangen van de 118 schuldeisers ten opzichte van de rest van de gezamenlijke schuldeisers, als de bodemrechter oordeelt dat de curatoren op basis van lastgeving schadevergoeding mogen vorderen, leggen daarbij beperkt gewicht in de schaal. Daarbij speelt mee dat de 118 schuldeisers ook individueel of gezamenlijk met een andere procesfinancier dan de boedel een procedure kunnen starten.
4.22.
De door [A] en Rabobank gevorderde proceskostenveroordeling wordt afgewezen. Er is geen wettelijke grondslag voor de kostenveroordeling in deze procedure. [18]
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
bevestigt de beslissing van de rechter-commissaris van 16 mei 2025 onder aanvulling van gronden en wijst af het verzoek van de curatoren om een machtiging te verlenen om Rabobank en [A] in rechte te betrekken,
5.2.
wijst het verzoek van Rabobank en [A] om een proceskostenveroordeling af.
MvD5633

Voetnoten

1.Artikel 68 lid 3 Fw Pro.
2.HR 15 december 1989,
3.HR 8 februari 1991,
4.HR 10 mei 1985, ECLI:NL:1985:AG5014, r.o. 3.2.2. en 3.2.3.
5.Zie conclusie A-G Snijders d.d. 22 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:384, r.o. 4.4.
6.HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3645,
7.HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3253, r.o. 3.4.3.
8.Conclusie A-G G. Snijders, ECLI:NL:PHR:2022:384, r.o. 4.6.
9.R.o. 5.3 van de beschikking van de rechter-commissaris van 16 mei 2025.
10.HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3253, r.o. 3.4.3.
11.Wessels Insolventierecht IV 2020/4172.
12.R.o. 5.4 van de beschikking van de rechter-commissaris van 16 mei 2025.
13.R.o. 5.4 van de beschikking van de rechter-commissaris van 16 mei 2025.
14.HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521.
15.HR 16 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7797, r.o. 3.5 en HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7887,
16.HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7887,
17.14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7887,
18.HR 26 november 1982,