ECLI:NL:RBMNE:2025:6000

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
24/2645
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 30a Wet WOZArtikel 8:41 AwbArtikel 8:54 AwbArtikel IV, onder a, Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde woning na compromis en vaststelling proceskostenvergoeding

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2023, oorspronkelijk vastgesteld op €700.000. Na een bezwaarprocedure verklaarde de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond, waarna eiser in beroep ging. Tijdens de beroepsprocedure diende de heffingsambtenaar een compromisvoorstel in waarbij de waarde werd verlaagd naar €591.000, waarmee eiser akkoord ging.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de WOZ-waarde conform het compromis vastgesteld op €591.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Tevens is bepaald dat de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig wordt verminderd. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op €550,25, waarbij rekening is gehouden met de wettelijke wegingsfactoren uit artikel 30a Wet WOZ. De proceskosten in bezwaar zijn vastgesteld op €323,50 met een wegingsfactor van 0,25, en de proceskosten in beroep op €226,75 met dezelfde factor. Daarnaast moet de heffingsambtenaar het griffierecht van €51 aan eiser vergoeden.

De uitspraak is gedaan zonder zitting omdat partijen een compromis bereikten en het beroep kennelijk gegrond is. De rechtbank wijst erop dat de proceskosten en griffierecht alleen mogen worden uitbetaald op een bankrekening op naam van eiser, conform de wettelijke voorschriften.

Uitkomst: De WOZ-waarde wordt vastgesteld op €591.000 en eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €550,25 plus griffierecht van €51 toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2645

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: ir. B.A.M. Slockers),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [plaats] ,verweerder,
(gemachtigde: mr. M.F.M. Boerlage).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van verweerder over de WOZ-waarde van een woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning).
De heffingsambtenaar heeft in het primaire besluit op grond van de Wet Waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de woning voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 700.000,-. Eiser heeft vervolgens bezwaar aangetekend. De heffingsambtenaar heeft op 26 februari 2024 het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser is hiertegen in beroep gegaan op 27 maart 2024. De heffingsambtenaar heeft op 29 augustus 2024 een verweerschrift ingediend met een compromisvoorstel van € 591.000,- als nieuwe waarde van de woning. Eiser is akkoord gegaan met het compromisvoorstel van de heffingsambtenaar. Eiser heeft verzocht om uitspraak en een verzoek gedaan om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat partijen een compromis hebben bereikt en het beroep kennelijk gegrond is. [1]

Overwegingen

1.Eiser is eigenaar van de woning. Partijen zijn bij wijze van compromis overeengekomen dat de waarde in het economisch verkeer van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 € 591.000,- moet bedragen. De rechtbank sluit zich hierbij aan.
Proceskosten en griffierecht
2. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van zijn proceskosten en het griffierecht. De hoogte van de proceskostenvergoeding is nog in geschil. Eiser heeft verzocht om proceskostenvergoeding waarbij een wegingsfactor van 1 wordt toegepast. Daarentegen wil de heffingsambtenaar zich naar eigen zeggen graag aansluiten bij het beleid van de rechtbank Midden-Nederland waarbij vaak een wegingsfactor van 0,25 wordt toegepast in vergelijkbare WOZ-zaken.
3. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor voor wat betreft de proceskosten in bezwaar echter buiten toepassing, omdat de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert. [2] Voor wat betreft de proceskosten in beroep is artikel 30a Wet WOZ wel van toepassing, omdat de uitspraak op bezwaar dateert na 1 januari 2024.
4. In zaken waarin artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ wel van toepassing is op de beroepsfase, maar niet op de bezwaarfase, zal de rechtbank voor de beroepsfase in principe uitgaan van een gemiddeld gewicht, maar voor de bezwaarfase wel haar eigen uitgangspunten hanteren. [3] In deze zaak gaat het over de WOZ-waarde van een woning en heeft gemachtigde van eiser gebruik gemaakt van een gestandaardiseerde werkwijze. Dit betekent dat de rechtbank een wegingsfactor van 0,25 hanteert voor de proceskosten in bezwaar. De proceskosten in beroep worden overeenkomstig artikel 30a, tweede lid, Wet WOZ vermenigvuldigd met de wettelijke factor 0,25.
5. Dit leidt tot een totale proceskostenvergoeding van € 550,25,-. De rechtbank stelt de in bezwaar gemaakte proceskosten van eiser die de heffingsambtenaar moet betalen vast op € 323,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en een wegingsfactor van 0,25). De rechtbank stelt de proceskosten in beroep vast op € 226,75, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,-, een gemiddelde zwaarte van de zaak en een wettelijke factor 0,25).
6. De heffingsambtenaar moet ook het griffierecht van € 51,- aan eiser betalen (artikel 8:41 Awb Pro). De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het compromis over de waarde van de woning, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en wordt de beslissing op bezwaar vernietigd. De rechtbank zal de waarde conform het compromis verlagen en bepalen dat de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig wordt verminderd.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar;
- stelt de waarde van de woning vast op een bedrag van € 591.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022;
- bepaalt dat de aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig wordt verminderd;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden beslissing op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 550,25;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- aan hem moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
A.C. van de Biesebos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
10 oktober 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel IV, onder a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.
3.Zie hiervoor de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4472 en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4481.