ECLI:NL:RBMNE:2025:6129

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
586328 HA ZA 25-17
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over opzegging van een duurovereenkomst en auteursrechtinbreuk

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 22 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiseres] B.V. en [gedaagde] GMBH over de opzegging van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] een schadevergoeding aan [eiseres] verschuldigd is vanwege het zonder opzegtermijn beëindigen van de overeenkomst. De vorderingen van [eiseres] die gebaseerd waren op vermeende auteursrechtinbreuk werden afgewezen. De rechtbank stelde vast dat de samenwerking tussen partijen sinds 2010 bestond, waarbij [eiseres] redactionele artikelen en foto’s ter beschikking stelde voor het tijdschrift van [gedaagde]. De opzegging door [gedaagde] werd als onregelmatig beschouwd, omdat er geen opzegtermijn in acht was genomen. De rechtbank bepaalde dat [gedaagde] een schadevergoeding van € 12.597,60 aan [eiseres] moest betalen, wat overeenkomt met de inkomsten die [eiseres] zou hebben ontvangen als er een redelijke opzegtermijn was gehanteerd. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten droeg.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/586328 / HA ZA 25-17
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. R.H. Bouwman,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagde] GMBH,
te [vestigingsplaats 2] (Zwitserland),
gedaagde partij,
advocaat: mr. B.C.R. Zalm.
Eiseres wordt hierna [eiseres] genoemd en gedaagde wordt aangeduid als [gedaagde] .

1.De procedure

1.1.
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding van 11 december 2024 met 3 producties,
- de conclusie van antwoord van 2 april 2025 met 6 producties,
- de op 7 juli 2025 door [eiseres] ingebrachte productie 4,
- de op 8 juli 2025 door [gedaagde] ingebrachte producties 5 tot en met 7.
1.2.
Op 18 juli 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Aan de kant van [eiseres] was de heer [A] (hierna: de heer [A] ) aanwezig, bijgestaan door mr. Bouwman. Aan de kant van [gedaagde] is mevrouw [B] (hierna: [B] ) verschenen, bijgestaan door mr. Zalm. Mr. Bouwman heeft spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken. Daarna is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben een geschil over beëindiging van een mondeling gesloten duurovereenkomst voor onbepaalde tijd op grond waarvan [eiseres] aan [gedaagde] redactionele foto’s en artikelen ter beschikking stelde voor een tijdschrift dat [gedaagde] uitgaf, en over de vraag of [gedaagde] inbreuk maakt op de auteursrechten van [eiseres] op dit materiaal. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] een vergoeding aan [eiseres] is verschuldigd voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de duurovereenkomst. De andere vorderingen van [eiseres] worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

3.De achtergrond van het geschil

De samenwerking tussen [eiseres] en [gedaagde] en het ontstaan van het geschil
3.1.
[eiseres] geeft in Nederland twaalf keer per jaar een tijdschrift over klassieke auto’s uit, genaamd ‘ [naam 1] ’. [gedaagde] gaf ook een tijdschrift over klassieke auto’s uit, namelijk ‘ [naam 2] ’, dat zes keer per jaar in Zwitserland verschijnt. Vanaf 2010 spraken [eiseres] en [gedaagde] mondeling af (hierna: de Overeenkomst) dat de DTP-afdeling van [eiseres] tegen betaling van CHF 3.000,- per editie van ‘ [naam 2] ’ dtp [1] -werkzaamheden voor [gedaagde] zou uitvoeren. Ook nam [gedaagde] tegen betaling van CHF 1.750,- per editie van ’ [naam 2] ’ redactionele artikelen en foto’s over van [eiseres] . Hiervoor kwam [B] over naar Nederland waar ze op het kantoor van [eiseres] redactionele artikelen en foto’s uit het gehele archief van [eiseres] kon uitzoeken om te gebruiken voor ‘ [naam 2] ’, waaronder alle edities van ‘ [naam 1] ’ en andere (auto)tijdschriften van [eiseres] .
3.2.
In de loop van 2022 is afgesproken dat de dtp-werkzaamheden vanaf ‘ [naam 2] ’-editie 2/2023 niet meer door [eiseres] zouden worden uitgevoerd. Vanaf dit moment leverde [eiseres] alleen nog redactionele artikelen en foto’s uit ‘ [naam 1] ’ aan [gedaagde] , tegen betaling van CHF 2.000,- per editie van ‘ [naam 2] ’. De redactionele artikelen en foto’s waaruit [B] kon kiezen werden vanaf dat moment aan [B] ter beschikking gesteld door middel van een open account en de keuze was beperkter dan voorheen.
3.3.
Eind 2023 ruzie is er ruzie tussen de heer [A] en [B] ontstaan, en is de samenwerking tussen hen geëindigd. Daarna heeft [gedaagde] in 2024 volgens [eiseres] redactionele artikelen en foto’s die [eiseres] aan [gedaagde] in het kader van hun samenwerking ter beschikking had gesteld voor de website van ‘ [naam 2] ’ (hierna: de Website) gebruikt, en heeft zij oude, al uitgebrachte, edities van ‘ [naam 2] ’ digitaal ter beschikking gesteld. Op
1 februari 2025 heeft [B] ‘ [naam 2] ’ verkocht.
De vorderingen van [eiseres]
3.4.
Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] de Overeenkomst onregelmatig opgezegd door geen opzegtermijn te hanteren. Ook stelt [eiseres] zich op het standpunt dat [gedaagde] inbreuk maakt op het auteursrecht op redactionele artikelen en foto’s van [eiseres] , door deze na opzegging van de Overeenkomst voor ‘ [naam 2] ’ (digitaal) te gebruiken.
3.5.
Op grond hiervan vordert [eiseres] – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen:
tot betaling van een naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen vergoeding voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de Overeenkomst;
tot betaling van € 77.980,-, het totaalbedrag van facturen 2024-003, 2024-005 en 2024-0018;
tot betaling van een boete voor het onrechtmatig gebruik van het materiaal van [eiseres] ;
om binnen vijf dagen na datum vonnis ervoor zorg te dragen dat alle foto’s van [eiseres] en waarop [eiseres] auteursrecht heeft, van de website van [gedaagde] , dan wel van de website van ‘ [naam 2] ’ worden gehaald, en ervoor zorg te dragen dat er geen digitale publicaties meer worden aangeboden van oude gedrukte exemplaren van ‘ [naam 2] ’ die het auteursrechtelijk materiaal van [eiseres] bevatten;
in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.6.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer, dat neerkomt op afwijzingen van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten van [gedaagde] .
3.7.
Op de stellingen en het verweer zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling van de vorderingen

De vordering onder a. wordt toegewezen, de overige vorderingen worden afgewezen
4.1.
De rechtbank zal de vordering van [eiseres] tot betaling van een vergoeding door [gedaagde] voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de Overeenkomst toewijzen. De overige vorderingen zal de rechtbank afwijzen. Waarom dat zo is, wordt hierna uitgelegd. Voordat de rechtbank hier nader op ingaat, zal zij beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt in deze zaak en welk recht van toepassing is.
De Nederlandse rechter is bevoegd
4.2.
Omdat [gedaagde] in Zwitserland is gevestigd en de vorderingen van [eiseres] daarmee een internationaal karakter hebben, moet eerst (ambtshalve) worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is om over het inhoudelijke geschil van partijen te oordelen.
4.3.
Volgens [eiseres] heeft de Zwitserse rechter in principe rechtsmacht op grond van artikel 4 van de Verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van
12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis-Vo), maar is de Nederlandse rechter bevoegd omdat [eiseres] en [gedaagde] in de (mondelinge) Overeenkomst hebben afgesproken zakelijke conflicten voor te leggen aan een Nederlandse rechtbank. Dit heeft volgens [eiseres] te maken met het feit dat [B] van Nederlandse komaf is.
4.4.
[eiseres] stelt zich hiermee op het standpunt, althans zo begrijpt de rechtbank, dat sprake is van een expliciete forumkeuze in de zin van artikel 25 Brussel I bis-Vo. Voor de toepassing van deze bepaling is het voldoende dat een forumkeuze is overeengekomen waarin het gerecht van een lidstaat wordt aangewezen. Omdat [gedaagde] betwist dat een dergelijke expliciete forumkeuze in de Overeenkomst is gemaakt en [eiseres] haar stelling dat hier sprake van is niet nader heeft onderbouwd, heeft [eiseres] volgens de rechtbank niet aan haar stelplicht voldaan en is niet vast komen te staan dat de Overeenkomst een expliciete forumkeuze voor de Nederlandse rechter bevat.
4.5.
[gedaagde] meent eveneens dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van zowel de vordering met betrekking tot de vergoeding voor het opzeggen van de Overeenkomst, als de vorderingen die betrekking hebben op de vermeende auteursrechtinbreuk, maar voert daartoe andere gronden aan. [gedaagde] baseert deze bevoegdheid op grond van artikel 5 lid 1 sub a (ten aanzien van de vordering met betrekking tot de vergoeding voor het opzeggen van de Overeenkomst) respectievelijk artikel 5 lid 3 (ten aanzien van de vorderingen met betrekking op de vermeende inbreuk op het auteursrecht) van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: het Verdrag van Lugano).
4.6.
De rechtbank stelt vast dat de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] moet worden beantwoord aan de hand van het Verdrag van Lugano omdat Nederland en Zwitserland allebei partij zijn bij dit verdrag, het Verdrag van Lugano van toepassing is op burgerlijke zaken (artikel 1 lid 1 Verdrag van Lugano) en bij samenloop met de Brussel I bis-Vo het Verdrag van Lugano van toepassing is (artikel 64 lid 2 sub a Verdrag van Lugano en artikel 73 lid 1 Brussel I bis-Vo).
4.7.
Op grond van artikel 24 Verdrag van Lugano is het gerecht van een door het Verdrag van Lugano gebonden staat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd, tenzij zijn verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten of als er een ander gerecht bestaat dat op grond van artikel 22 Verdrag van Lugano exclusief bevoegd is. Op grond van de processtukken is tussen partijen niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, en dit is tijdens de mondelinge behandeling ook door partijen bevestigd. Gelet hierop heeft [gedaagde] door te verschijnen zonder de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten, die bevoegdheid aanvaard. Dit betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het inhoudelijke geschil van partijen te oordelen.
Het toepasselijke recht
4.8.
Omdat de vorderingen van [eiseres] een internationaal karakter hebben, moet ook worden vastgesteld welk recht van toepassing is. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen de op de vordering van [eiseres] tot betaling van een vergoeding door [gedaagde] voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de Overeenkomst en de overige vorderingen die zijn gebaseerd op de vermeende auteursrechtinbreuk door [gedaagde] .
Op de vordering onder a. tot betaling van een schadevergoeding is Nederlands recht van toepassing
4.9.
De vordering van [eiseres] tot betaling van een vergoeding door [gedaagde] voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de Overeenkomst is een vordering die gebaseerd is op een overeenkomst, waarbij de Nederlandse rechter het toepasselijke recht moet vaststellen aan de hand van de verwijzingsregels van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I). Deze verordening is van toepassing op overeenkomsten die na 17 december 2009 zijn gesloten (artikel 28 Rome I), wat bij de Overeenkomst het geval is.
4.10.
Volgens [eiseres] hebben [eiseres] en [gedaagde] in de (mondelinge) Overeenkomst afgesproken dat bij een conflict Nederlands recht van toepassing is. [eiseres] stelt zich hiermee op het standpunt, althans zo begrijpt de rechtbank, dat sprake is van een rechtskeuze in de zin van artikel 3 Rome I, die uitdrukkelijk wordt gedaan of duidelijk blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Omdat [gedaagde] betwist dat een dergelijke expliciete dan wel impliciete rechtskeuze in de Overeenkomst is gemaakt en [eiseres] haar stelling dat hier sprake van is niet nader heeft onderbouwd, heeft [eiseres] volgens de rechtbank niet aan haar stelplicht voldaan en is niet komen vast te staan dat de Overeenkomst een rechtskeuze voor Nederlands recht bevat.
4.11.
Als er geen sprake is van een rechtskeuze in de zin van artikel 3 Rome I, geldt op grond van de hoofdregel in artikel 4 lid 2 Rome I dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. De rechtbank volgt het standpunt van [gedaagde] dat de kenmerkende prestatie, te weten het ter beschikking stellen van de door [eiseres] vervaardigde redactionele artikelen en foto’s (waarbij [B] eerst bij [eiseres] op kantoor kwam om artikelen en foto’s uit te kiezen en zij later foto’s en artikelen kon uitkiezen door middel van een open account waarin [eiseres] de redactionele artikelen en foto’s had geplaatst) en het aanvankelijk verrichten van dtp-werkzaamheden, plaatsvond in Nederland. Die prestatie moest namelijk verricht worden door [eiseres] , die in Nederland gevestigd is.
4.12.
De uitzondering op de hoofdregel dat als uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land, het recht van dat andere land van toepassing is (artikel 4 lid 3 Rome I), doet zich hier niet voor: omdat uit het geheel van de omstandigheden niet duidelijk blijkt dat de Overeenkomst nauwer verbonden is met een ander land dan Nederland [2] , het land waar de kenmerkende prestant [eiseres] gevestigd is, komt de rechtbank tot de conclusie dat Nederlands recht op de vordering tot betaling van een vergoeding door [gedaagde] voor het zonder opzegtermijn opzeggen van de Overeenkomst van toepassing is.
Op de vorderingen onder b t/m d is Zwitsers recht van toepassing
4.13.
De vorderingen van [eiseres] onder b tot en met d zijn gebaseerd op een vermeende auteursrechtinbreuk door [gedaagde] . Hier is sprake van niet-contractuele verbintenissen. Aangezien de schadebrengende feiten van na de datum van inwerkingtreding van deze internationale regeling (11 januari 2009) zijn, dient het toepasselijke recht dan ook in beginsel te worden gevonden aan de hand van de conflictregels van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II). [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat Zwitsers recht van toepassing is op grond van artikel 8 lid 1 Rome II, op grond waarvan het recht van toepassing is van het land waarvoor de bescherming van intellectuele eigendomsrechten wordt gevorderd (de
lex loci protectionis).
4.14.
Volgens [eiseres] hebben zij en [gedaagde] in de (mondelinge) Overeenkomst afgesproken dat bij een conflict Nederlands recht van toepassing is. [eiseres] stelt zich hiermee op het standpunt, althans zo begrijpt de rechtbank, dat sprake is van een rechtskeuze in de zin van artikel 14 Rome II, die uitdrukkelijk wordt gedaan of duidelijk blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Dit is in dit geval echter niet mogelijk. Afgezien van het feit dat [gedaagde] betwist dat een dergelijke expliciete dan wel impliciete rechtskeuze in de Overeenkomst is gemaakt en [eiseres] haar stelling dat hier sprake van is niet nader heeft onderbouwd, kan op grond van artikel 8 lid 3 Rome II namelijk niet door middel van een rechtskeuze worden afgeweken van het recht dat op grond van dit artikel van toepassing is.
4.15.
De rechtbank wijst erop dat Rome II voorrang verleent aan internationale overeenkomsten die voor bijzondere onderwerpen van niet-contractuele aard conflictregels bevatten, zo volgt uit artikel 28 lid 1 Rome II. [3] De Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (hierna: BC) is zo’n bijzonder verdrag. Dit verdrag regelt namelijk in artikel 5 lid 1 het toepasselijke recht. Het uitgangspunt van de Berner Conventie (hierna: BC) is dat auteurs in landen die niet hun land van oorsprong zijn, de rechten genieten die de wetten aan de eigen onderdanen verlenen (artikel 5 lid 1 BC). Dus net als in artikel 8 lid 1 Rome II het geval is, is de zogenaamde
lex protectionis, ofwel het recht van het land waarvoor bescherming wordt gevraagd, van toepassing.
4.16.
Omdat [eiseres] bescherming van haar in auteursrecht in Zwitserland vordert, is op grond van de
lex protectionisZwitsers recht van toepassing op de vorderingen onder b tot en met d, aldus [gedaagde] . [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat volgens haar Nederlands recht van toepassing is op deze vorderingen omdat de website (ook) in Nederland kon worden bekeken, de (eerder verschenen) edities van ‘ [naam 2] ’ daarop digitaal beschikbaar waren en daardoor ook in Nederland konden worden gelezen (via een abonnement) en [B] (aanvankelijk) bij [eiseres] op kantoor kwam om redactionele artikelen en foto’s voor ‘ [naam 2] ’ uit te zoeken.
4.17.
De rechtbank beslist als volgt. De door [eiseres] gestelde vermeende inbreuken op haar auteursrecht hebben plaatsgevonden in Zwitserland via de Website van [gedaagde] . Dat in Nederland inbreuk op haar auteursrecht heeft plaatsgevonden, is onvoldoende door [eiseres] onderbouwd. ‘ [naam 2] ’ is een tijdschrift dat zich richt op de Zwitserse markt. Nergens is uit gebleken dat de Website (ook) op Nederland is gericht. Ook is de Website niet in de Nederlandse taal gesteld en [eiseres] heeft ook niet onderbouwd dat de Website door consumenten in Nederland is bezocht, al dan niet om digitale edities van ‘ [naam 2] ’ (die in Zwitsers Duits zijn opgesteld) te bekijken. Daarom is de rechtbank van oordeel dat bescherming wordt gevraagd voor een vermeende auteursrechtinbreuk die plaatsvindt in Zwitserland, en wordt de rechtsverhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] beheerst door Zwitsers recht.
4.18.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat partijen zich over toepassing van Zwitsers recht op de vorderingen onder b tot en met d in hun processtukken niet hebben uitgelaten, maar dat zij op de mondelinge behandeling hebben aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat de rechtbank Zwitsers recht toepast als zij tot de conclusie komt dat dit recht op de voorgenoemde vorderingen van toepassing is. De rechtbank vindt het daarom niet nodig dat partijen zich nog verder over toepassing van het Zwitserse recht op de vorderingen onder b tot en met d uitlaten.
[gedaagde] heeft de Overeenkomst onregelmatig opgezegd en [eiseres] heeft recht op schadevergoeding
4.19.
De rechtbank stelt voorop dat partijen geen schriftelijke overeenkomst hebben gesloten. [eiseres] legt aan haar vordering tot betaling van een schadevergoeding ten grondslag dat de Overeenkomst kwalificeert als een mondeling tot stand gekomen duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. [gedaagde] heeft deze kwalificatie niet betwist. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] de Overeenkomst onregelmatig opgezegd doordat de opzegging niet schriftelijk gebeurde en er geen opzegtermijn is gehanteerd. De relevante vragen zijn:
  • is de Overeenkomst een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd?
  • Heeft [gedaagde] de Overeenkomst opgezegd?
  • Zo ja, was [gedaagde] gerechtigd om de Overeenkomst te beëindigen op de manier waarop zij dat heeft gedaan?
De rechtbank zal deze vragen hieronder beantwoorden.
De Overeenkomst is een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd
4.20.
Het belangrijkste kenmerk van duurovereenkomsten is dat deze niet verplichten tot eenmalige, voorbijgaande prestaties, maar – gedurende bepaalde of onbepaalde tijd – tot prestaties die gedurende zekere tijd voortduren, herhaald worden of elkaar opvolgen. Zoals iedere overeenkomst, komt een duurovereenkomst in beginsel tot stand door aanbod en aanvaarding. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen (zie de artikelen 3:33, 3:35 en 3:37 lid 1 BW). Het antwoord op de vraag of een duurovereenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Zo kan, onder omstandigheden, een langdurige handelsrelatie in het kader waarvan opeenvolgende transacties worden verricht, na verloop van tijd uitgroeien tot een duurovereenkomst (raamovereenkomst) voor onbepaalde tijd. [4] Voor de beantwoording van de vraag of (al) sprake is van een duurovereenkomst of (nog) slechts van een reeks losse contracten worden als relevante omstandigheden onder meer aangemerkt: de duur van de relatie, de exclusiviteit van de samenwerking, de intensiteit van het overleg c.q. contact, de afspraak tot het gebruik van telkens dezelfde standaardovereenkomst en jaarlijkse prijsonderhandelingen terwijl leveranties doorlopen op grond van oude prijzen. [5]
4.21.
De rechtbank oordeelt dat de Overeenkomst kwalificeert als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, en wijst hierbij op het volgende:
 Vast staat dat [eiseres] op basis van een mondelinge afspraak vanaf 2010 tot eind 2023 (14 jaar) tegen betaling op regelmatige basis redactionele artikelen en foto’s aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld, die [gedaagde] gebruikte voor ‘ [naam 2] ’.
 De redactionele artikelen en foto’s die [gedaagde] afnam van [eiseres] vormden vanaf 2010 de basis voor ‘ [naam 2] ’: in die zin was sprake van een exclusieve samenwerking.
 ‘ ‘ [naam 2] ’ verscheen zes keer per jaar. Tot en met ‘ [naam 2] ’-editie 1/2023 betaalde [gedaagde] CHF 1.750,- per editie van ’ [naam 2] ’ voor het gebruik van redactionele artikelen en foto’s van [eiseres] , waarbij zij kon kiezen uit iedere artikel of foto uit ‘ [naam 1] ’ (ook uit oudere edities) en andere magazines van [eiseres] zoals het [naam 3] . Ook verrichte [eiseres] tot dat moment tegen betaling van een extra bedrag dtp-werkzaamheden voor [gedaagde] . Vanaf ‘ [naam 2] ’- editie 2/2023 werden de dtp-werkzaamheden niet meer door [eiseres] verricht, maar stelde zij nog wel redactionele artikelen en foto’s aan [gedaagde] ter beschikking tegen betaling van CHF 2.000,- per ‘ [naam 2] ’-editie (waarbij de keuze beperkter was dan voorheen).
 Hoewel de inhoud van de samenwerking in de loop van de jaren op een bepaald moment enigszins is veranderd, laat dit onverlet dat de kernafspraak tussen partijen was dat [gedaagde] zes keer per jaar (per ‘ [naam 2] ’-editie) tegen betaling (bepaalde) redactionele artikelen van [eiseres] mocht gebruiken door die artikelen van het Nederlands naar het Duits te vertalen en de uitgekozen artikelen en foto’s in ‘ [naam 2] ’ te publiceren.
[gedaagde] heeft de Overeenkomst opgezegd
4.22.
Voor de vraag aan welke eisen een opzegging in het concrete geval moet voldoen moet naar de volledige context van de samenwerking worden gekeken.
4.23.
[eiseres] en [gedaagde] verschillen van mening over wie de Overeenkomst heeft opgezegd. Volgens [B] heeft de heer [A] eind 2023 de Overeenkomst opgezegd door in een telefoongesprek tegen haar te zeggen: ‘Wat ben je toch een kutwijf, ik wil nooit meer iets met jou te maken hebben’, en zij zou hierop hebben geantwoord: ‘Denk je, ik met jou’. Voor zover dit geen opzegging door [eiseres] betreft, is de Overeenkomst volgens [gedaagde] beëindigd door wederzijds goedvinden waardoor zij geen opzeggingsvergoeding aan [eiseres] is verschuldigd.
4.24.
De rechtbank ziet dit anders. Vast staat dat er eind 2023 ruzie is ontstaan tussen de heer [A] en [B] over vooruitbetaling van een jaarboek. De heer [A] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij niet meer precies kan vertellen wat hij toen tegen [B] heeft gezegd, maar dat dat iets kan zijn geweest in de trant van ‘Houdt op met dat gezeur van je’. Wat daar ook van zij: de rechtbank kan er op basis van zowel de lezing van [B] als die van de heer [A] niet meer in lezen dan dat zij ruzie hadden. Wie daarbij wat verweten kan worden, doet er niet toe: een opzegging van de Overeenkomst door [eiseres] of een beëindiging ervan met wederzijds goedvinden blijkt er in ieder geval niet uit. Zeker omdat de ruzie niet zag op de verplichtingen uit de Overeenkomst maar over iets ging dat buiten de Overeenkomst viel, namelijk over (vooruitbetaling van) een jaarboek.
4.25.
Vervolgens nam een werknemer van [eiseres] in januari 2024 telefonisch contact met [B] op met de vraag wanneer hij weer materiaal kon sturen. Toen heeft [B] aangegeven dat de samenwerking met [eiseres] was beëindigd en dat zij geen materiaal van [eiseres] meer nodig had. Deze telefonische uitlating moet worden uitgelegd aan de hand van artikel 3:33 en 3:35 BW. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. [6]
4.26.
De rechtbank leidt uit de gang van zaken af dat [gedaagde] de Overeenkomst in het gesprek met de medewerker van [eiseres] in januari 2024 met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. Voor zover [B] op basis van de ruzie met de heer [A] in de veronderstelling verkeerde dat de Overeenkomst al door [eiseres] was opgezegd, had het op haar weg gelegen om bij [eiseres] te informeren of dit daadwerkelijk de bedoeling van [eiseres] was. Des te meer omdat de werknemer van [eiseres] [B] na de ruzie benaderde met de vraag wanneer hij weer materiaal kon sturen, en deze medewerker van een beëindiging van de Overeenkomst kennelijk niet op de hoogte was. Door niet bij [eiseres] te informeren, maar aan de medewerker van [eiseres] mede te delen dat de samenwerking was beëindigd, mocht [eiseres] redelijkerwijs opmaken dat [B] namens [gedaagde] bedoelde om de Overeenkomst op te zeggen. Dat een opzegging van de Overeenkomst schriftelijk moest gebeuren, zoals [eiseres] meent, blijkt nergens uit. Een opzeggingsverklaring is vormvrij, tenzij anders is bepaald (artikel 3:37 lid 1 BW). Ook bestaat er geen discussie over dat de medewerker aan wie [B] had verteld dat de samenwerking met [eiseres] was beëindigd en dat zij geen materiaal meer nodig had, deze mededeling aan de heer [A] heeft doorgegeven en dat de opzegging [eiseres] dus heeft bereikt in de zin van artikel 3:37 lid 3 BW.
[gedaagde] moet een schadevergoeding aan [eiseres] betalen vanwege de onregelmatige opzegging
4.27.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de opzegging van de Overeenkomst door [gedaagde] . Als wet en overeenkomst niet voorzien in een opzeggingsregeling, zoals hier het geval is, dan geldt dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd in beginsel opzegbaar is. [7] Uitgangspunt is dan ook dat de Overeenkomst kan worden opgezegd. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een duurovereenkomst alleen kan worden opgezegd als:
  • daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat,
  • een bepaalde opzegtermijn in acht is genomen, of
  • de opzegging gepaard gaat met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding
4.28.
[eiseres] heeft niet aangevoerd dat de redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat opzegging alleen mogelijk is als er een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Wel stelt [eiseres] zich op het standpunt dat de Overeenkomst niet per direct door [gedaagde] kon worden beëindigd omdat [gedaagde] een opzegtermijn in acht had horen te nemen. Omdat [gedaagde] dit niet heeft gedaan, vordert [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding.
4.29.
De rechtbank is het op dit punt met [eiseres] eens. Het van de een op de andere dag opzeggen van de Overeenkomst door [gedaagde] is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hierbij noemt de rechtbank de volgende omstandigheden:
 de lange samenwerking tussen [eiseres] en [gedaagde] : al sinds 2010 nam [gedaagde] redactionele artikelen en foto’s van [eiseres] af, en tot en met ‘ [naam 2] ’-editie 1/2023 verzorgde [eiseres] ook de dtp-werkzaamheden voor [gedaagde] ;
 [eiseres] had niet hoeven te verwachten dat [gedaagde] de samenwerking in januari 2024 met onmiddellijke ingang zou beëindigen (zie 4.24 en 4.26). Dit had voor [eiseres] wel gevolgen. De redactionele artikelen en foto’s van [eiseres] komen niet uit de lucht vallen: [eiseres] zal kosten hebben gemaakt voor het laten opstellen ervan en hiermee zal rekening zijn gehouden in de bedrijfsvoering van [eiseres] , bijvoorbeeld met het aannemen van personeel of het inzetten van een zzp-er;
 op het moment van de plotselinge opzegging door [gedaagde] zullen kosten voor het opstellen van de teksten van de artikelen en foto’s die aan [gedaagde] zouden worden aangeboden al zijn gemaakt;
 op basis van de Overeenkomst betaalde [gedaagde] vanaf ‘ [naam 2] ’-editie 2/2023
CHF 2.000,- per editie van [naam 2] voor afname van redactionele artikelen en foto’s. ‘ [naam 2] ’ verscheen zes keer per jaar, waardoor [eiseres] jaarlijks CHF 12.000,- aan omzet genereerde.
4.30.
Tegen die achtergrond stond het [gedaagde] niet vrij om de Overeenkomst per direct, vanwege een ruzie, te beëindigen. Gelet op de aard en inhoud van de handelsrelatie tussen partijen had van [gedaagde] mogen worden verwacht dat zij zich bij de opzegging (in ieder geval) rekenschap had gegeven van de belangen van [eiseres] door bij opzegging minst genomen een passende opzegtermijn in acht te nemen en op die manier [eiseres] in staat te stellen (de gevolgen van) de beëindiging van de handelsrelatie tussen partijen voor te bereiden. Ook heeft [gedaagde] bij opzegging geen vorm van schadevergoeding aan [eiseres] aangeboden.
4.31.
Omdat [gedaagde] de Overeenkomst heeft opgezegd zonder een redelijke opzegtermijn in acht te nemen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een onregelmatige (onrechtmatige) opzegging. [gedaagde] is, omdat zij de Overeenkomst met [eiseres] onregelmatig heeft opgezegd, verplicht om de schade die [eiseres] daardoor lijdt te vergoeden. Die schade is gelijk aan de vergoeding die [eiseres] zou hebben ontvangen in het geval [gedaagde] een redelijke opzegtermijn in acht had genomen. Beoordeeld moet worden hoe lang een redelijke opzegtermijn zou zijn geweest.
4.32.
De rechtbank vindt een relatief lange opzegtermijn, een termijn van twaalf maanden, in de gegeven omstandigheden redelijk. Partijen hebben immers lange tijd samengewerkt, ongeveer veertien jaar. Ook de omstandigheden waaronder de opzegging is gedaan zijn van betekenis. [gedaagde] heeft de samenwerking zonder een voorafgaande waarschuwing verbroken. De rechtbank gaat ervan uit dat [eiseres] over een opzegtermijn van twaalf maanden een bedrag van CHF 12.000,- aan inkomsten zou hebben ontvangen, namelijk zesmaal een bedrag van CHF 2.000,-. Volgens de website van de Europese Centrale Bank (www.ecb.europa.eu) was de gemiddelde koers van de Zwitserse Frank ten opzichte van de Euro in de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024
€ 1,0498. Omgerekend naar Euro’s gaat het om een bedrag van € 12.597,60. De rechtbank zal [gedaagde] dan ook veroordelen tot betaling van dit bedrag aan [eiseres] .
Wat betekent de toewijzing van de vordering onder a. voor het gebruik van de redactionele artikelen en foto’s door [gedaagde] na opzegging van de Overeenkomst, en daarmee voor de overige vorderingen onder b tot en met d?
4.33.
Het voorgaande komt erop neer dat [gedaagde] voor zover zij na de opzegging van de Overeenkomst gebruik heeft gemaakt van redactionele artikelen en foto’s van [eiseres] , zij dat mocht doen omdat ze daarvoor heeft betaald. Omdat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding dat overeenkomt met het bedrag dat [gedaagde] in 2024 zou hebben betaald voor zes edities van ‘ [naam 2] ’, en de rechtbank uit de door [gedaagde] overlegde correspondentie afleidt dat zij voor ‘ [naam 2] ’-editie 1/2024 al in november 2023 had betaald, gold dit voor de zes ‘ [naam 2] ’-edities 2/2024 tot en met 1/2025. Dat is de met de te betalen schadevergoeding corresponderende opzegtermijn. In februari 2025 heeft [gedaagde] ‘ [naam 2] ’ wegens ziekte verkocht. Voor eventuele auteursrechtinbreuken die vanaf dat moment zouden hebben plaatsgevonden, kan [gedaagde] niet aansprakelijk worden gesteld: daarvoor zal [eiseres] zich moeten richten tot de nieuwe uitgever van ‘ [naam 2] ’.
4.34.
De rechtbank gaat nog kort in op het volgende. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de artikelen en foto’s die [gedaagde] had afgenomen voor een eenmalige gedrukte editie van ‘ [naam 2] ’ waren bedoeld en per keer dat deze in ‘ [naam 2] ’ werden gebruikt moesten worden afgerekend, en dat [gedaagde] dat materiaal (daarom) niet digitaal mocht gebruiken door oude, al uitgebrachte, edities van ‘ [naam 2] ’ via de Website aan te bieden en artikelen en foto’s die zij via [eiseres] had verkregen op de Website te zetten. De rechtbank gaat hier niet in mee: een afspraak dat [gedaagde] afgenomen artikelen en foto’s niet (ook) digitaal mocht hergebruiken, blijkt nergens uit. Bovendien, zo stelt [gedaagde] en [eiseres] heeft dit niet gemotiveerd betwist, konden zowel digitale als gedrukte versies van ‘ [naam 2] ’ al sinds februari 2023 op de Website worden besteld. Dit kon via een digitaal abonnement en het was gratis voor abonnementen die de gedrukte edities van ‘ [naam 2] ’ ontvingen. Hiervan was [eiseres] op de hoogte en zij heeft daar tot de opzegging door [gedaagde] nooit een punt van gemaakt.
4.35.
Voor de vorderingen onder b tot en met d die zijn gegrond op een vermeende auteursrechtinbreuk, heeft dit tot gevolg dat deze vorderingen worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt namelijk dat de rechtbank daar niet meer aan toekomt. De rechtbank licht dit per vordering toe:
 Ten aanzien van de vordering onder b. tot betaling van het totaalbedrag van facturen 2024-003, 2024-005 en 2024-0018 ter hoogte van € 77.980,- en de vordering onder c. tot betaling van een boete voor het onrechtmatig gebruik van het materiaal van [eiseres] ;
Beide vorderingen zien op het vermeende onrechtmatige gebruik van redactionele artikelen en foto’s van [eiseres] na de opzegging door [gedaagde] . Veronderstellend dat [eiseres] op grond van Zwitsers recht auteursrecht op zijn redactionele artikelen en foto’s heeft, geldt op grond van artikel 10 Urheberrechtsgesetz (URG) van 9 oktober 1992, de Zwitserse auteurswet, dat de
Uhrheber(in)het uitsluitende recht heeft om te beslissen of, wanneer en door wie zijn werk wordt gebruikt. Omdat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] de redactionele foto’s en artikelen die zij van [eiseres] heeft afgenomen gedurende de opzegtermijn (tot de overdracht van ‘ [naam 2] ’ in februari 2025) mocht blijven gebruiken (zie 4.33-4.34), is van een auteursrechtinbreuk geen sprake en worden deze vorderingen daarom afgewezen.
 Het eerste deel van de vordering onder d, een veroordeling van [gedaagde] om ervoor zorg te dragen dat alle foto’s van [eiseres] en waarop [eiseres] auteursrecht heeft van de website van [gedaagde] , dan wel van de website van ‘ [naam 2] ’ worden gehaald, wordt afgewezen omdat de rechtbank hiervoor (zie 4.34) heeft geconstateerd dat [eiseres] ervan op de hoogte was dat [gedaagde] ‘ [naam 2] ’ sinds februari 2023 digitaal aanbood (en hiermee tot de opzegging van de Overeenkomst geen problemen had) en dit dus kennelijk onderdeel uitmaakte van de afspraken tussen partijen. Van een auteursrechtinbreuk met betrekking tot de foto’s is dan ook geen sprake.
 Ook het tweede deel van de vordering onder d, een veroordeling van [gedaagde] om ervoor zorg te dragen dat er geen digitale publicaties meer worden aangeboden van oude gedrukte exemplaren van ‘ [naam 2] ’ die het auteursrechtelijk materiaal van [eiseres] bevatten, wordt afgewezen. De exemplaren van ‘ [naam 2] ’ die vanaf 2023 digitaal werden aangeboden, waren niet voor iedereen beschikbaar maar zaten achter een betaalmuur: ze waren alleen te raadplegen via een digitaal abonnement of door abonnees die gedrukte edities van ‘ [naam 2] ’ ontvingen.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.36.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 12.597,60,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren, rechter, bijgestaan door mr. L. Leber, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.R. Hurenkamp, rechter, op 22 oktober 2025.
LL5240

Voetnoten

1.DTP staat voor DeskTop Publishing: het bewerken en opmaken van documenten voor drukwerk.
2.HvJ EG 6 oktober 2009, C-133/08, ECLI:EU:C:2009:617 r.o. 64 (
3.Art. 28 lid 1 Rome II luidt: ‘
4.HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213.
5.Parket bij de Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2013:777.
6.HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315 r.o. 3.3.2.
7.HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 r.o. 3.5.1 (
8.HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 r.o. 3.6.2 (