ECLI:NL:RBMNE:2025:6157
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening persoonsgebonden budget voor specialistische jeugdhulp
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor specialistische jeugdhulp voor haar minderjarige kinderen, gericht op behandeling bij een specifieke instelling die ABA-gedragstherapie toepast. Het college heeft deze aanvraag afgewezen vanwege twijfels over de effectiviteit en kwaliteit van de gehanteerde ABA-methode.
Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om de behandeling te kunnen starten, omdat de beschikbare behandelplekken schaars zijn en de kinderen voor hun vijfde jaar moeten instromen. De voorzieningenrechter erkent het motiveringsgebrek in het besluit, maar stelt dat dit in bezwaar kan worden hersteld en dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.
De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van het college bij een zorgvuldige en doelmatige besteding van middelen zwaarder weegt dan het spoedeisende belang van verzoekster. Ook is onvoldoende duidelijk welke jeugdhulp noodzakelijk is in aard en omvang en of de gecontracteerde instelling deze kan leveren.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en benadrukt dat het college de noodzakelijke jeugdhulp met voortvarendheid moet oppakken. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor een persoonsgebonden budget voor specialistische jeugdhulp wordt afgewezen.