ECLI:NL:RBMNE:2025:6256

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/2178, UTR 25/2606 en UTR 25/2617
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Misbruik van procesrecht door eiser in bestuursrechtelijke procedures tegen de Universiteit Utrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 17 oktober 2025 uitspraak gedaan in drie beroepen van eiser tegen het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht. De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van procesrecht. Eiser had in het verleden herhaaldelijk procedures aangespannen tegen de Universiteit Utrecht, voornamelijk gerelateerd aan zijn ontslag in 2010. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn procesrecht misbruikte door steeds opnieuw verzoeken in te dienen die geen redelijk doel dienden. Eiser had in de afgelopen jaren meer dan veertig zaken aanhangig gemaakt, waarbij hij in de meeste gevallen in het ongelijk was gesteld. De rechtbank concludeerde dat de herhaalde verzoeken van eiser, die vaak als buitensporig werden gekwalificeerd, blijk gaven van kwade trouw. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van het college tot een bedrag van € 2.721,-. De rechtbank benadrukte dat het indienen van dergelijke verzoeken zonder redelijk doel niet alleen de overheid benadeelt, maar ook een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht oplevert. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van hun recht om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2178, UTR 25/2606 en UTR 25/2617

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2025 in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht (UU), het college

(gemachtigde: mr. A.C.M. Kusters).

Inleiding

Bij brief van 27 januari 2025 heeft eiser bij het college een verzoek om toewijzing van nog niet betaalde financiële middelen en een AVG-verzoek over beweringen van prof. Pijpers ingediend.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn AVG-verzoek van 27 januari 2025 (UTR 25/2178).
Bij brief van 3 februari 2025 heeft eiser bij het college een AVG-verzoek ingediend over alle informatie over de door mevrouw [A] vermelde gegevens in een Wbp-besluit uit 2015.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 3 februari 2025 (UTR 25/2606).
Bij brief van 28 februari 2025 heeft eiser bij het college een AVG-verzoek ingediend over alle informatie in de SAP-bestanden en alle overige informatie die het bij haar zoektocht gaat vinden.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 28 februari 2025 (UTR 25/2617).
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Misbruik van procesrecht?
1. Op grond van artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. In dat geval is sprake van misbruik van procesrecht. Een beroep wordt dan niet inhoudelijk behandeld en wordt niet-ontvankelijk verklaard. Daar zijn zwaarwichtige gronden voor nodig. Deze zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [2]
2. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich in deze zaken voordoet. Aan de zaken die de rechtbank nu ter beoordeling voorliggen is veel vooraf gegaan. In de kern komt het erop neer dat eiser per 1 juli 2010 is ontslagen uit de functie die hij bekleedde binnen de faculteit Bètawetenschappen aan de UU. Daaraan lag een reorganisatie ten grondslag waarbij de onderzoeksgroep Functional Materials werd opgeheven. Volgens het college behoorde eiser tot deze onderzoeksgroep. Volgens eiser was dat niet het geval.
3. Eiser heeft over zijn ontslag in 2010 vele procedures gevoerd, maar is door de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) meermaals in het ongelijk gesteld. Bij uitspraak van 12 juni 2025 [3] is eisers zesde herzieningsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht. Daarnaast heeft eiser vele Wbp- en AVG-verzoeken ingediend bij het college, veelal gevolgd door beroepen (tegen niet tijdig beslissen) bij de rechtbank. In vrijwel elk besluit, elke brief en elk verweerschrift dat het college opstelt, vindt eiser weer een aanleiding tot het indienen van een nieuw AVG-verzoek. In de afgelopen jaren heeft de rechtbank in minimaal 40 zaken uitspraken gedaan over door eiser ingediende AVG-verzoeken, verzoeken om wijziging van functiegroep, rectificatieverzoeken en meldingen van inbreuk, die allemaal zijn terug te voeren op zijn conflict met het college over zijn ontslag in 2010. In die uitspraken is hij veelal in het ongelijk gesteld en is eiser al meermaals duidelijk gemaakt dat zijn verzoeken niet als AVG-verzoeken kwalificeren of niet als zodanig kunnen worden aangemerkt vanwege het repetitieve karakter ervan. Meerdere verzoeken zijn gekwalificeerd als buitensporig in de zin van artikel 12, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AVG. Ook zijn meerdere beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
4. Bij uitspraken van 18 april 2025 [4] en 25 juli 2025 [5] heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser misbruik maakt van recht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat eiser al vele jaren en steeds weer opnieuw procedeert en in feite steeds zijn ontslag aanvecht. Dit is evident zonder redelijk doel, omdat eiser weet dan wel behoort te weten dat daar geen verandering meer in komt. Dat eiser steeds een nieuwe aanleiding vindt om een verzoek in te dienen maakt dat niet anders. Het gaat steeds over hetzelfde onderwerp. Dat eisers verzoeken zonder redelijk doel zijn, is inmiddels zodanig evident dat het desondanks blijven indienen van dergelijke verzoeken bij het college en het procederen daarover bij de rechtbank blijkt geeft van kwade trouw. Dit geldt ook voor deze beroepen.
5. Gelet op het vorenstaande, alles in samenhang bezien, doen zich naar het oordeel van de rechtbank opnieuw zwaarwichtige gronden als bedoeld in rechtsoverweging 1 voor. Eiser heeft zijn bevoegdheid om beroep (wegens het niet tijdig beslissen) in te stellen, misbruikt als bedoeld in artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15 van het BW. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk.
6. Het college heeft verzocht eiser te veroordelen in de proceskosten van deze procedures. De rechtbank wijst er op dat een natuurlijk persoon op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in de kosten van het geding kan worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Daarvoor ziet de rechtbank ook nu aanleiding. Zoals overwogen heeft eiser misbruik gemaakt van het procesrecht. Dit betekent dat ook sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (3 punten voor het indienen van de verweerschriften, met een waarde per punt van € 907,- bij een wegingsfactor 1).
Conclusie en gevolgen
De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Eiser moet de proceskosten van het college vergoeden. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten of griffierecht aan de zijde van eiser.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
- veroordeelt eiser in de proceskosten van het college tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3754 en 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403.