ECLI:NL:RBMNE:2025:6295
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen de hoogte van de WOZ-waarde van een onroerende zaak met verzoek om immateriële schadevergoeding
In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedaan op 21 november 2025, wordt het beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn onroerende zaak beoordeeld. De heffingsambtenaar had de waarde van het object, een hotel/logiesruimte, vastgesteld op € 441.000,- per waardepeildatum 1 januari 2019. Eiser had bezwaar gemaakt tegen deze beschikking, maar zijn bezwaar werd ongegrond verklaard. Eiser stelde dat de waarde met minimaal 20% verlaagd diende te worden, maar de rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De rechtbank wees de stellingen van eiser grotendeels af, omdat deze onvoldoende onderbouwd waren en niet tijdig waren ingediend. Daarnaast werd er een verzoek om immateriële schadevergoeding gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank concludeerde dat de redelijke termijn was overschreden met 2 jaar en 6 maanden, wat resulteerde in een schadevergoeding van € 3.000,-. De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar en de Staat ieder tot betaling van een deel van deze schadevergoeding, evenals proceskosten. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, maar het verzoek om schadevergoeding werd toegewezen.