Overwegingen
10. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met onderliggende regelingen nog van toepassing.
11. Het perceel van eiser valt onder het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen’ (bestemmingsplan) en heeft gedeeltelijk de bestemming ‘ [nummer] ’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Tuin’. Op het perceel zijn ook gedeeltelijk de gebiedsaanduidingen ‘other: bethunepolder’ en ‘milieuzone- waterwingebied’ van toepassing. Op de plankaart van het bestemmingsplan is een relatie tussen de bestemming ‘ [nummer] ’ met het perceel aan de [adres 2] gelegd, waarop een woning binnen het bouwvlak is gebouwd. De gebouwde schuur binnen de bestemming ‘ [nummer] ’ is als gevolg van de relatie in het bestemmingsplan en het ontbreken van een bouwvlak bestemd als bijgebouw bij de woning. Zelfstandig gebruik van de schuur is daarom in strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast is ook een bedrijfsmatige functie in strijd met de bestemmingen ‘ [nummer] ’ en ‘Tuin’.
12. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheid om daarvan af te wijken ten behoeve van het door eiser beoogde gebruik. Ook valt de aanvraag niet onder een van de categorieën uit de kruimelgevallenregeling.Dat betekent dat het college de aangevraagde vergunning alleen kan verlenen indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.De Wabo bepaalt dat in die situatie de uitgebreide procedure van toepassing is.Die procedure is ook van toepassing op een weigering. Omdat de uitgebreide procedure van toepassing is, heeft het college een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Het college heeft van eiser een zienswijze op de voorgenomen weigering ontvangen en daarop in de nota van zienswijzen gereageerd.
13. Het college heeft de aanvraag getoetst aan het Afwijkingenbeleid 2014 van de gemeente Stichtse Vecht, waarin voorwaarden voor vergunningverlening zijn opgenomen. Een van die voorwaarden is dat de activiteit moet passen binnen de geldende of in ontwerp neergelegde visies en beleidskaders van de gemeente, provincie en het rijk.Andere voorwaarden zijn onder meer dat de aanwezige stedenbouwkundige, cultuurhistorische of landschappelijke waarden van het gebied niet nadelig worden beïnvloed en dat de ontwikkeling voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van milieu.
14. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraag om meerdere redenen niet voldoet aan de in het afwijkingenbeleid genoemde voorwaarden. Zo is de aanvraag volgens het college in strijd met het verstedelijkingsverbod, neergelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Daarnaast wordt volgens het college niet voldaan aan de richtafstand voor milieuzonering. Ook is volgens het college met de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag niet gebleken dat de bijzondere waarden van het gebied niet onevenredig worden geschaad. Daarbij neemt het college in aanmerking dat het gebied een bijzondere status heeft, omdat het deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Nederland en onder meer is aangewezen als stiltegebied en grondwaterbeschermingsgebied.
Standpunten eiser en het college
15. Eiser voert aan dat zelfstandig gebruik van het perceel als bedrijfsmatige caravanstalling al sinds 1950 onafgebroken plaatsvindt. Omdat sprake is van onafgebroken gebruik, valt het gebruik volgens eiser onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Om die reden komt het college volgens eiser niet toe aan een beoordeling of hij medewerking wil verlenen aan afwijken van het bestemmingsplan.
16. Eiser onderbouwt zijn standpunt met de op 30 mei 1989 verleende vergunning voor het bouwen van een schuur op het perceel voor het stallen van toercaravans in de winterperiode. De voorschriften van deze vergunning stellen volgens eiser geen beperkingen aan het gebruik. Met de bouwvergunning heeft het college volgens eiser bovendien impliciet vrijstelling van het toen ter plaatse geldende bestemmingsplan verleend voor het zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur als caravanstalling. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat op grond van die vergunning tientallen caravans van derden in de schuur werden gestald. In aanvulling hierop voert eiser aan dat zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur als stallingsruimte niet in strijd is met het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen’ (1992), zodat het gebruik ook om deze reden onder het overgangsrecht valt. De aanvraag ziet volgens eiser dus uitsluitend op het bevestigd krijgen van bestaande gebruiksrechten. In ruimtelijke zin heeft de aanvraag nauwelijks effect op de fysieke leefomgeving, aldus eiser. De stellingname van het college dat de schuur in 2018 door eiser is vergroot en dat om die reden sprake is van een verruiming van het gebruik, is volgens eiser onjuist.
17. Het college stelt dat ten tijde van de bouwvergunning, verleend door de toenmalige gemeente [plaats] , het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1e herziening’ uit 1985 gold, waarin het perceel geen zelfstandige bedrijfsbestemming had. Met de bouwvergunning is volgens het college geen zelfstandig gebruik, in afwijking van het bestemmingsplan, vergund. Ook het beroep op het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen’ (1992) slaagt volgens het college niet. In dit bestemmingsplan had de schuur de bestemming ‘garages en bergplaatsen’. Uit de planregels volgt dat deze gronden zijn aangewezen voor de stalling van vervoersmiddelen en de berging van niet voor de handel bestemde goederen.Daaruit blijkt volgens het college niet van een zelfstandige bedrijfsmatige functie. Het aangevraagde gebruik valt volgens het college dus niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan.
Beoordeling door de rechtbank
18. Het overgangsrecht van het bestemmingsplan houdt in dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet iemand die zich op het overgangsrecht beroept de feiten en omstandigheden waarop dat beroep berust aannemelijk maken.In dit kader heeft eiser een beroep gedaan op de bouwvergunning van 30 mei 1989 en het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen’ (1992).
19. De eerste vraag die voorligt, is of het college, met de op 30 mei 1989 verleende bouwvergunning voor het vernieuwen van de schuur, impliciet vrijstelling heeft verleend voor – met het destijds geldende bestemmingsplan strijdig – zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat daarvoor bepalend is of uit de bouwaanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt en het college, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de vergunning in weerwil van de planvoorschriften heeft verleend.In de aanvraag van de vergunning staat vermeld dat de schuur wordt gebruikt voor het stallen van toercaravans in de winterperiode en dat het gebruik na het vernieuwen niet gewijzigd zal worden. Verder staat in de aanvraag bij “tegenwoordig gebruik” “bedrijfsruimte” aangekruist en bij “bedrijfssoort” is aangegeven dat het om “stalling” gaat. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit zonder meer worden afgeleid dat de schuur waarvoor bouwvergunning werd aangevraagd, zou worden gebruikt voor het bedrijfsmatig stallen van caravans. Ook het college heeft dat ter zitting bevestigd. Tussen partijen staat dan ook niet ter discussie dat de bouwvergunning voorziet in een impliciete vrijstelling voor bedrijfsmatig gebruik van de schuur.
20. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of met de bouwvergunning ook een impliciete vrijstelling is verleend voor
zelfstandigbedrijfsmatig gebruik van de schuur. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Nergens uit de aanvraag – of de naar aanleiding daarvan verleende bouwvergunning – blijkt dat het bedrijfsmatig stallen van caravans ten behoeve van het naastgelegen perceel [adres 2] zou (moeten) gaan plaatsvinden. Als dat wel was beoogd, had het voor de hand gelegen dat dit expliciet in de aanvraag of vergunning zou zijn vermeld. Bij gebreke daarvan moest het college zich er naar het oordeel van de rechtbank van bewust zijn dat met het voorgenomen bedrijfsmatige gebruik
zelfstandigbedrijfsmatig gebruik was beoogd. Het college heeft met de bouwvergunning voor de schuur dus impliciet vrijstelling voor zelfstandig bedrijfsmatig gebruik als caravanstalling verleend. Dit gebruik valt daardoor onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Dat de schuur op enig moment in tijd mogelijk is verbouwd en vergroot maakt het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het vrijgestelde gebruik niet anders.
21. Het bestreden besluit bevat op dit punt een gebrek, omdat het college bij de beoordeling van de ruimtelijke effecten van de huidige aanvraag er ten onrechte van uit is gegaan dat zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur op dit moment nog niet – op grond van het overgangsrecht – is toegestaan. Dat leidt ertoe dat de beroepsgrond slaagt. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of het aangevraagde gebruik van de schuur ook onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Maarssen (1992)’ valt.
22. Omdat het gebruik van de schuur als zelfstandige en bedrijfsmatige caravanstalling onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt, en daarmee dus niet in strijd is, is bij een aanvraag voor dat gebruik sprake van een gebonden beschikking. Dat betekent dat het college, in de situatie dat slechts vergunning was aangevraagd voor gebruik van de schuur, een vergunning had moeten afgeven. De aanvraag van eiser is echter breder. Eiser heeft niet alleen vergunning aangevraagd voor het gebruik van de schuur, maar voor het gebruik van het gehele perceel, en dus ook de omliggende gronden met de bestemming ‘Tuin’. Een zelfstandige bedrijfsmatige functie op deze gronden valt niet onder het overgangsrecht en is in strijd met het bestemmingsplan. Dat brengt mee dat het college uitsluitend voor het gebruik van die gronden een ruimtelijke afweging had moeten maken.
Verklaring van geen bedenkingen
23. Eiser heeft nog aangevoerd dat het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag van eiser geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig is. Volgens eiser had de gemeenteraad wel om een verklaring moeten worden gevraagd, omdat het bestreden besluit een weigering betreft. Eiser had zijn aanvraag aan de gemeenteraad willen voorleggen en bij de vergadering door de gemeenteraad willen inspreken.
24. Het uitgangspunt bij toepassing van de uitgebreide procedure is dat in beginsel een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad wordt gevraagd.De gemeenteraad is het bevoegde orgaan tot het vaststellen van een bestemmingsplan. Bij een aanvraag om af te wijken van het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad om die reden inspraak. De gemeenteraad is bevoegd om categorieën aan te wijzen wanneer een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is.Dat heeft de gemeenteraad in dit geval gedaan met de ‘Algemene verklaring van geen Bedenkingen’. Categorie II.d uit de verklaring luidt dat geen verklaring van geen bedenkingen vereist is in geval van realisering van functiewijzigingen van bestaande opstallen met bijbehorende gronden, de daaruit voorkomende bouwactiviteiten alsmede uitbreiding van bestaande functies. Het gebruik van de gronden met de bestemming ‘Tuin’ voor een zelfstandige bedrijfsmatige functie is een dergelijke functiewijziging, zodat geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig is. De rechtbank is van oordeel dat de algemene verklaring van de gemeenteraad geldt voor alle aanvragen die met de uitgebreide procedure worden voorbereid, ongeacht de uitkomst van de vergunningverlening.
25. De rechtbank stelt vast dat in de algemene verklaring, in werking getreden op 21 maart 2023, is besloten dat deze ook van toepassing is op aanvragen om omgevingsvergunningen die op een eerdere datum zijn ingediend en waarvan nog geen ontwerpvergunning ter inzage is gelegd. Dit betekent dat de algemene verklaring van toepassing is, ondanks dat de aanvraag van eiser is ingediend voor de inwerkingtreding van de verklaring. Het college heeft het bestreden besluit dus kunnen nemen zonder de gemeenteraad om een verklaring van geen bedenkingen te vragen.
26. Zoals in rechtsoverweging 21 is overwogen bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.De rechtbank doet dan een tussenuitspraak.De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
27. Om het gebrek te herstellen, moet het college motiveren waarom geen omgevingsvergunning strijdig gebruik voor een zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling op het gedeelte van het perceel met de bestemming ‘Tuin’ wordt verleend, ondanks dat het zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur op grond van het overgangsrecht is toegestaan. Het college kan het gebrek ook herstellen door de gevraagde omgevingsvergunning alsnog aan eiser te verlenen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
28. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
29. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.