Eiser kreeg op 2 augustus 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto met een bepaald kenteken op 22 juli 2023 zonder betaling geparkeerd stond. Eiser stelde dat hij wel parkeerbelasting had betaald, maar per abuis voor een ander kenteken. Dit werd pas in beroep met een betaaloverzicht onderbouwd.
De heffingsambtenaar handhaafde eerst de aanslag in bezwaar, maar vernietigde deze later uit coulance in het verweerschrift bij het beroep. De rechtbank oordeelde dat eiser ondanks de vernietiging van de aanslag nog procesbelang had vanwege de mogelijke proceskostenvergoeding.
De rechtbank overwoog dat eiser zijn standpunt in bezwaar niet met stukken had onderbouwd, waardoor de heffingsambtenaar de aanslag toen niet kon vernietigen. Omdat het bewijs pas in beroep werd geleverd, was de beroepsprocedure nodig en werd het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank wees een proceskostenvergoeding af.