ECLI:NL:RBMNE:2025:6537

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/4159
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op WIA herbeoordeling door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Op 3 november 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tussen de Willibrord Stichting voor rk, pc en interconfessioneel voortgezet onderwijs en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Eiseres, vertegenwoordigd door C.J. Loef, heeft beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de heer [A] op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres op 16 oktober 2024 een eerste verzoek om herbeoordeling heeft ingediend, waarop verweerder pas op 7 februari 2025 heeft gereageerd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en een tweede verzoek om herbeoordeling ingediend op 14 april 2025, waarover verweerder nog niet had beslist. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder in gebreke is gebleven en heeft bepaald dat verweerder binnen vier maanden na de uitspraak een beslissing moet nemen. Tevens is een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres heeft recht op vergoeding van de proceskosten, die zijn vastgesteld op € 453,50, en het griffierecht van € 385,- moet door verweerder aan eiseres worden betaald. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4159

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen

De Willibrord Stichting voor rk, pc en interconfessioneel voortgezet onderwijs (rk/pc) voor Utrecht en omstreken, uit Utrecht, eiseres
(gemachtigde: C.J. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de heer [A] zijn arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft op 16 oktober 2024 een eerste verzoek om herbeoordeling gedaan. Op
7 februari 2025 heeft verweerder een beslissing genomen op dit verzoek. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing op 3 maart 2025.
4. Eiseres heeft vervolgens een tweede verzoek om herbeoordeling ingediend op 14 april
2025. Verweerder heeft hier nog niet op besloten. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 12 juni 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
5. Verweerder heeft bij de brief van 25 juli 2025 een verweerschrift ingediend. Het
standpunt van verweerder is dat het bezwaarschrift van 3 maart 2025 hetzelfde doel
beoogt als de tweede aanvraag van 14 april 2025, namelijk een eerdere ingangsdatum van de toegekende IVA-uitkering. Verweerder stelt dat eiseres de beslissing op het bezwaar dient af te wachten voordat zij een nieuwe aanvraag doet en vraagt om het beroep niet tijdig daarom niet ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van verweerder, maar de geschetste situatie ontslaat verweerder niet van de verplichting om te beslissen op een aanvraag. De rechtbank oordeelt hierover dan ook dat de lopende bezwaarprocedure niet in de weg staat om een nieuwe aanvraag in te dienen. Als verweerder van mening is dat het verzoek van 14 april 2025 een herhaalde aanvraag is, dan had hij de aanvraag zo mogelijk met toepassing van artikel 4:6 van de Awb kunnen afwijzen.
6. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
7. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder door een tekort aan
verzekeringsartsen grote achterstanden heeft bij de afhandeling van aanvragen en bezwaarschriften. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025 [2] . De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.
9. In artikel 4:17 van de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit
neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb). Omdat verweerder nog geen dwangsombesluit heeft genomen en eiseres daar in deze procedure om vraagt, stelt de rechtbank op grond van artikel 8:55c van de Awb de dwangsom vast.

Conclusie

10. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres.
10. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,-.
11. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan
eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).