Op 8 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, wiens woning was gesloten door de burgemeester van Woerden vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid cocaïne, verzocht om opheffing van deze sluiting. De burgemeester had de woning gesloten op basis van een besluit van 12 september 2025, waarin werd vastgesteld dat er een handelshoeveelheid drugs was aangetroffen. Verzoeker betwistte de sluiting en voerde aan dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik waren. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, oordelend dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter overwoog dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne, die tien keer de gebruikershoeveelheid overschreed, en andere aanwijzingen duidden op drugshandel. De burgemeester had ook rekening gehouden met de ernst van de overtreding en de kwetsbaarheid van de wijk waarin de woning zich bevond. De voorzieningenrechter concludeerde dat de sluiting noodzakelijk was voor het herstel van de openbare orde en dat de nadelige gevolgen voor verzoeker niet onevenredig waren in verhouding tot de doelen van de sluiting. De uitspraak bevestigde dat de burgemeester de bevoegdheid had om de woning te sluiten en dat de sluiting in stand bleef voor de duur van drie maanden.