ECLI:NL:RBMNE:2025:6586

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/6087
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake woningsluiting op basis van Opiumwet na aantreffen handelshoeveelheid drugs

Op 8 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, wiens woning was gesloten door de burgemeester van Woerden vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid cocaïne, verzocht om opheffing van deze sluiting. De burgemeester had de woning gesloten op basis van een besluit van 12 september 2025, waarin werd vastgesteld dat er een handelshoeveelheid drugs was aangetroffen. Verzoeker betwistte de sluiting en voerde aan dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik waren. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, oordelend dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter overwoog dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne, die tien keer de gebruikershoeveelheid overschreed, en andere aanwijzingen duidden op drugshandel. De burgemeester had ook rekening gehouden met de ernst van de overtreding en de kwetsbaarheid van de wijk waarin de woning zich bevond. De voorzieningenrechter concludeerde dat de sluiting noodzakelijk was voor het herstel van de openbare orde en dat de nadelige gevolgen voor verzoeker niet onevenredig waren in verhouding tot de doelen van de sluiting. De uitspraak bevestigde dat de burgemeester de bevoegdheid had om de woning te sluiten en dat de sluiting in stand bleef voor de duur van drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6087

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. D. Eijpe),
en

de burgemeester van de gemeente Woerden , de burgemeester

(gemachtigden: mr. [A] , [B] , en [C] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker omdat in de woning een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 12 september 2025 heeft de burgemeester de woning van verzoeker aan de [adres] in [plaats] met ingang van 23 september 2025 voor drie maanden gesloten, omdat een handelshoeveelheid cocaïne is aangetroffen in de woning. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1. De burgemeester heeft met een besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit) het eerdere besluit van 12 september 2025 ingetrokken en opnieuw besloten de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten met ingang van 23 september 2025. Het verzoek om een voorlopige voorziening is nu gericht tegen dit nieuwe besluit.
2.2.
De burgemeester heeft daarna op het verzoek gereageerd met een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Beoordelingskader voorlopige voorziening
3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker. De voorzieningenrechter weegt daarnaast bij een verzoek om een voorlopige voorziening ook het belang van de burgemeester om het bestreden besluit te handhaven tegenover het belang van verzoeker om toch in zijn woning te kunnen verblijven. Als het bezwaar niet kansrijk is, is er weinig ruimte om het belang van verzoeker zwaarder te laten wegen.
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
5. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd om een woning te sluiten als daarin een hoeveelheid drugs wordt gevonden die bedoeld is voor drugshandel.
5.1.
Verzoeker voert aan dat burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten. Er was geen sprake is van drugshandel en uit de gegeven omstandigheden is voldoende aannemelijk geworden dat hij de drugs aanwezig had voor eigen gebruik.
5.2.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat er sprake was van een handelshoeveelheid drugs en dat zij daarom bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen.
5.3.
Als een handelshoeveelheid verdovende middelen in de zin van de Opiumwet aanwezig is, hoeft niet te worden aangetoond dat er daadwerkelijk is gehandeld. Voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt dat de drugs aanwezig zijn met de bedoeling om te worden verhandeld. Dat is het geval als de aangetroffen hoeveelheid drugs groter is dan de hoeveelheid voor eigen gebruik. Voor drugs op lijst I Opiumwet, zoals cocaïne, is dat meer dan 0,5 gram. Als sprake is van een geringe overschrijding van de gebruikershoeveelheid kan de bevoegdheid toch ontbreken als de betrokkene aannemelijk maakt dat de drugs wél bestemd zijn voor eigen gebruik.
5.4.
In het bestreden besluit verwijst de burgemeester naar de bestuurlijke rapportage van 31 oktober 2025. Uit deze rapportage blijkt dat de politie op 6 augustus 2025 de woning van verzoeker heeft doorzocht en daarbij heeft aangetroffen: vijf ponypacks met in totaal circa 5 gram cocaïne, drie lege lachgasflessen met de aanduiding dat de fles 2 kg lachgas bevat, dertien lege dozen waarbij het aannemelijk is dat er lachgasflessen in de dozen hebben gezeten, vier simkaarten, een kleine weegschaal op de eettafel in de woonkamer en contact geld (€ 150,- tot € 200,-).
5.5.
Vijf gram cocaïne is tien keer de gebruikershoeveelheid van maximaal 0,5 gram. Daarnaast is een flinke hoeveelheid lachgasverpakkingen aangetroffen. Daarmee is in beginsel aannemelijk dat sprake is van drugshandel.
5.6.
Verzoeker heeft aangevoerd dat het toch gaat om drugs voor eigen gebruik. Hij gebruikt zelf namelijk veelvuldig verdovende middelen, met name lachgas en ook cocaïne. Bij lachgas is gebruikelijk dat op een avond meerdere ballonnen met lachgas worden gebruikt. Op de zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij daarbij een cilinder zoals is aangetroffen binnen een aantal uur leegmaakt. Hij betwist dat de aangetroffen weegschaal, de simkaarten en het contante geld in verband kunnen worden gebracht met drugshandel. Dat de cocaïne is aangetroffen in ponypacks wijst volgens verzoeker juist op eigen gebruik, omdat een gebruiker per aantallen grammen koopt in aparte verpakkingen. Op de zitting heeft verzoeker verklaard dat hij normaal gesproken geen 5 gram cocaïne in huis heeft, maar dat hij op de dag van de doorzoeking een aantal weken naar Marokko zou gaan en daarom een voorraad cocaïne had aangelegd om mee te nemen voor eigen gebruik.
5.7.
Dit betoog overtuigt niet. De voorzieningenrechter acht het wel aannemelijk dat verzoeker zelf drugs gebruikt, maar dat betekent niet dat er daarnaast geen sprake is van handel. De aanwezige hoeveelheid drugs duidt daar wel op. Verzoeker heeft zijn stelling dat hij op het punt stond naar Marokko te vertrekken en daarvoor een voorraad cocaïne in huis had niet onderbouwd. Voor deze stelling zijn geen aanknopingspunten in de dossierstukken te vinden. In een voorlopige voorziening-procedure is er ook geen ruimte om daar verder onderzoek naar te doen. Verzoeker kan dit in de bezwaarprocedure nader onderbouwen.
5.8.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten. De burgemeester kon namelijk aannemen dat sprake was van een handelshoeveelheid drugs. Weliswaar is tussen partijen niet in geschil dat het in absolute zin gaat om een relatief kleine hoeveelheid harddrugs, maar er is sprake van een behoorlijke overschrijding van de gebruikershoeveelheid. Daarbij komt dat andere zaken in het pand zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel. De burgemeester heeft ook mogen meewegen dat in buurtonderzoek is verklaard dat andere personen via de brandtrap toegang hebben tot de woning en dat er sprake is van kortdurende bezoeken door onbekende personen.
Kon de burgemeester gebruik maken van de bevoegdheid?
6. Als de burgemeester (zoals hier het geval is) bevoegd is om een woning te sluiten, moet zij afwegen of zij wel of niet gebruik maakt van die bevoegdheid. Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Voor de beoordeling van de evenredigheid zijn drie aspecten van belang: noodzakelijkheid en geschiktheid van het middel en evenwichtigheid. De geschiktheid van het middel is in deze zaak niet in geschil. Gelet op wat verzoeker hierover heeft aangevoerd zal de voorzieningenrechter daarom voor een toets aan deze bepaling de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de sluiting van de woning beoordelen.
Noodzakelijkheid van de sluiting
7. Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is volgens vaste rechtspraak de vraag of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Verder moet aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. De noodzaak tot sluiten zal verder groter zijn in geval van recidive. Ook zal die noodzaak groter zijn als de betrokken woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk ligt. [1]
7.1.
Verzoeker heeft betoogd dat de burgemeester een minder ingrijpend middel had moeten inzetten. Ten onrechte heeft de burgemeester laten meewegen dat in 2021 voor een eerdere constatering een last onder dwangsom is opgelegd. Volgens de handhavingsmatrix in het Damoclesbeleid van de gemeente Woerden wordt een zaak als afgedaan beschouwd als gedurende drie jaar na een overtreding geen nieuwe constatering plaatsvindt. Een latere constatering op dezelfde locatie zal dan gelden als een eerste constatering.
7.2.
De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een ernstige situatie en dat sluiting daarom noodzakelijk is. De burgemeester wijst daarbij op de aangetroffen hoeveelheid cocaïne, de antecedenten van verzoeker en de omstandigheid dat het gaat om recidive. Ook heeft de burgemeester laten meewegen dat de woning gelegen is in een kwetsbare wijk.
7.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester daarmee alle hiervoor genoemde omstandigheden heeft meegewogen. De burgemeester heeft zich op basis van de bestuurlijke rapportage van 31 oktober 2025 op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een ernstige situatie en dat sluiting daarom noodzakelijk is.
7.3.1.
De politie heeft een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen in de woning. Verder blijkt uit de bestuursrapportage dat lege lachgasflessen en verpakkingsmateriaal werden aangetroffen en attributen die wijzen op drugshandel. Daarmee is aannemelijk gemaakt dat de woning een rol speelt in het drugscircuit. De bestuurlijke rapportage vermeldt ook dat verzoeker oudere antecedenten heeft voor handel in harddrugs en meer recente antecedenten voor vermogensdelicten en overtredingen van de Wet Wapens en Munitie. Niet betwist is dat het gaat om een kwetsbare wijk. Er zijn aanwijzingen dat een loop is op de woning is ontstaan. De burgemeester heeft zich hierbij kunnen baseren op het buurtonderzoek, waarin is verklaard dat jongeren via de brandtrap de woning bezoeken en dat verzoeker veel kortdurende bezoeken ontvangt.
7.3.2.
Over de vraag of recidive een rol kan spelen overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Met een beslissing van 22 december 2021 heeft de burgemeester een last onder dwangsom opgelegd vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs. Volgens het Damoclesbeleid dat de burgemeester hanteert wordt bij het bepalen van de soort maatregel (variërend van een waarschuwing tot het sluiten van de woning) onder meer gekeken naar recidive. In dit geval is gekozen voor sluiting, en wel voor drie maanden. Dat komt overeen met wat volgens de matrix in het Damoclesbeleid past bij een eerste overtreding. De burgemeester heeft toegelicht dat bij de beoordeling of sprake is van een ernstig geval (een omstandigheid die meeweegt bij de beoordeling van de noodzakelijkheid) wel wordt betrokken dat sprake is van een eerdere overtreding, maar dat bij het bepalen van de duur van een sluiting in beginsel drie jaar wordt teruggekeken. Dit betoog kan gevolgd worden. De burgemeester heeft gekozen voor de maatregel die volgt uit de matrix. Bij de eerdere constatering heeft de burgemeester verzoeker bovendien laten weten dat een volgende keer dat in deze woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen de woning zal worden gesloten. Verzoeker was dus een gewaarschuwd mens. Die last onder dwangsom is voor onbepaalde tijd opgelegd. Voor zover verzoeker aanvoert dat dit hem niet blijvend kan worden tegengeworpen overweegt de voorzieningenrechter dat de dwangsom niet dusdanig lang geleden is opgelegd dat verzoeker hiermee geen rekening meer hoefde te houden. De burgemeester heeft tot de conclusie kunnen komen dat de last onder dwangsom niet het gewenste effect heeft gehad en dat dus een zwaardere maatregel nodig was.
Evenwichtigheid van de sluiting
8. Behalve noodzakelijk moet sluiting van de woning ook evenwichtig zijn. De burgemeester moet dit toetsen, ook als de duur in overeenstemming is met het eigen beleid. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
8.1.
Verzoeker voert aan dat de sluiting van de woning onevenredig is. De verhuurder van zijn woning heeft de huurovereenkomst ontbonden vanwege de woningsluiting. Het is algemeen bekend dat hij daarmee op een zwarte lijst terecht zal komen en geen sociale huurwoning zal kunnen bemachtigen. Een woonruimte in de vrije sector kan hij niet betalen. Dit betekent dat verzoeker effectief geen woonruimte zal hebben de komende jaren. De ernstige gevolgen van de woningsluiting staan daarmee niet in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Op de zitting heeft verzoeker verteld dat dakloosheid op hem extra impact zal hebben vanwege gezondheidsklachten.
8.2.
De burgemeester heeft aangevoerd dat verzoeker een verwijt kan worden gemaakt, omdat zijn voortdurende betrokkenheid bij drugshandel heeft geleid tot deze maatregel. De nadelige gevolgen die verzoeker ondervindt, komen volgens de burgemeester in belangrijke mate voor zijn rekening en risico. De burgemeester heeft er verder op gewezen dat om te voorkomen dat verzoeker op straat komt te staan hij contact op kan nemen met het Eropafteam van de gemeente Woerden. Op zitting heeft de burgemeester toegezegd dat de gemeente in het geval van eiser hierbij het initiatief zal nemen.
8.3.
Het is vaste rechtspraak dat het feit dat de verhuurder de huurovereenkomst zal ontbinden en verzoekster mogelijk op een zwarte lijst zal plaatsen, zich niet zonder meer tegen sluiting hoeft te verzetten. Bijvoorbeeld als de betrokkene een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst van de overtreding. [2] De burgemeester heeft de mogelijke beëindiging van de huurovereenkomst meegewogen. Het standpunt van de burgemeester dat de sluiting toch evenwichtig is kan gevolgd worden. Naar aanleiding van wat op zitting is besproken voegt de voorzieningenrechter daaraan nog het volgende toe.
8.4.
Op de zitting is gebleken dat verzoeker niet in goede gezondheid verkeert en medicatie nodig heeft. Dit aspect is in de primaire fase niet kenbaar meegewogen, noch is hierover door verzoeker iets specifieks aangevoerd. Bij gebrek aan objectieve medische gegevens heeft de voorzieningenrechter dit aspect niet betrokken in zijn voorlopig oordeel. In een voorlopige voorziening-procedure is er ook geen ruimte om daar verder onderzoek naar te doen. In de bezwaarprocedure kunnen beide partijen hun standpunten hierover nader uitwerken en onderbouwen.
Belangenafweging
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de sluiting van de woning in bezwaar waarschijnlijk in stand kan blijven. Er zijn door verzoeker wel nieuwe feiten en verklaringen aangevoerd, die in de beslissing op bezwaar moeten worden meegewogen. De voorzieningenrechter weegt daarom de belangen tegen elkaar af om te beoordelen of het besluit in afwachting van de beslissing op bezwaar geschorst moet worden.
10. De voorzieningenrechter begrijpt het belang van verzoeker om in zijn woning te mogen blijven en ziet dat de impact van de sluiting groot is. Daartegenover staat het belang van de burgemeester om de loop naar de woning te doorbreken en te zorgen voor herstel van de openbare orde in de buurt, nadat zich een ernstige situatie heeft voorgedaan. Dat belang is groot. De voorzieningenrechter laat daarom het belang van de burgemeester zwaarder wegen.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de maatregel van sluiting voor de duur van drie maanden in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. J.H. Ermers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Hagendoorn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912 en van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.