Overwegingen
12. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Woningwet gewijzigd. Omdat voor die datum het handhavingsverzoek is ingediend, is in deze zaak de Woningwet zoals die tot 1 januari 2024 gold met de onderliggende regelingen, waaronder het Bouwbesluit 2012, nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
13. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het handhavingsverzoek van eiser van 19 oktober 2023 in essentie gelijk is aan eisers eerdere handhavingsverzoek van 24 januari 2020. Omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden sinds het besluit op bezwaar van 27 september 2022 over dat eerdere verzoek, is er sprake van een herhaalde aanvraag. Volgens het college had eiser in het handhavingsverzoek van 24 januari 2020 ook al gesteld dat er een omgevingsvergunning nodig zou zijn voor het uitvoeren van de last onder bestuursdwang, en dat de herstelwerkzaamheden verder zouden gaan dan noodzakelijk was om de overtreding te beëindigen. De wijze waarop de last is uitgevoerd zou er volgens eiser toe hebben geleid dat het buurpand van derde-partij zijn standzekerheid ontleent aan het pand van eiser, wat in strijd zou zijn met artikel 2.8, tweede lid van het Bouwbesluit. Eiser vraagt het college in beide handhavingsverzoeken om handhavend op te tegen die overtreding van het Bouwbesluit door de buren.
14. Eiser voert aan dat zijn handhavingsverzoek van 9 oktober 2023 wel degelijk anders is ingestoken. Het handhavingsverzoek van 24 januari 2020 zag volgens eiser op de handelingen die het college in zijn werfkelder verrichtte in het kader van de uitvoering van bestuursdwang, zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Het handhavingsverzoek van 19 oktober 2023 ziet er volgens eiser op dat de buren (in strijd met het Bouwbesluit) geen handelingen verrichten in hún kelder om de standzekerheid van hun eigen pand te waarborgen. Waar het eerdere verzoek dus zag op onrechtmatig handelen van het college, ziet het onderhavige verzoek op onrechtmatig nalaten van de buren. Het gaat dus om een andere grondslag en een andere normadressaat, zodat geen sprake kan zijn van een herhaalde aanvraag.
15. De rechtbank volgt eiser niet. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, als na een geheel of gedeeltelijk afwijzend besluit een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
16. De rechtbank stelt vast dat eiser in het handhavingsverzoek van 24 januari 2020, samengevat, aan de orde heeft gesteld dat:
het pand van de buren zijn standzekerheid ontleent aan de stabiliteitsvoorziening die het college in het kader van uitvoering van de last onder bestuursdwang op het perceel van eiser heeft geplaatst, en dat in strijd is met het Bouwbesluit omdat elk pand volgens de artikelen 2.7 en 2.8 en volgens de NEN 8700 in zijn eigen standzekerheid moet voorzien;
dat er betere en goedkopere technische oplossingen voorhanden zijn die voorzien in de constructieve veiligheid van het pand van de buren, op hun perceel;
dat er een omgevingsvergunning nodig is voor het aanbrengen van de stalen constructie, en dat die ontbreekt.
Eiser wijst erop dat het college het in zijn macht heeft om af te dwingen dat de stabiliteit van de kelderconstructie van de buren op hun perceel wordt opgelost. Hij verzoekt het college om handhavend op te treden door de werkzaamheden stil te leggen zolang daar geen omgevingsvergunning voor is verleend, dan wel de werkzaamheden voort te zetten conform de eerder aan eiser verleende bouwvergunningen.
17. In het handhavingsverzoek van 19 oktober 2023 heeft eiser, samengevat, aan de orde gesteld dat:
het pand van de buren zijn standzekerheid ontleent aan de stalen constructie van staanders en liggers die het college in het kader van uitvoering van de last onder bestuursdwang in de werfkelder van eiser heeft geplaatst, en dat in strijd is met het Bouwbesluit omdat elk pand (ook als het gaat om middeleeuwse werfkelders) volgens het tweede lid van artikel 2.8 in zijn eigen standzekerheid moet voorzien;
dat dit zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebeurd;
dat er diverse andere bouwtechnische oplossingen op het perceel van de buren, voorhanden zijn die de spatkrachten kunnen opvangen die vanuit hun keldergewelf worden uitgeoefend op de mandelige keldermuur.
Eiser verzoekt het college om handhavend op te treden en te bewerkstelligen dat de constructieve toestand in de werfkelders van eiser en zijn buren, alsnog in overeenstemming met de eisen van artikel 2.8 van het Bouwbesluit wordt gebracht.
18. Naar het oordeel van de rechtbank komen de handhavingsverzoeken van eiser in de kern op hetzelfde neer, namelijk dat het college bij uitvoering van de last onder bestuursdwang het standzekerheidsprobleem van de buren heeft opgelost met een voorziening in het pand van eiser, terwijl dat in het pand van de buren had gemoeten. De rechtbank stelt verder vast dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden sinds het besluit op bezwaar van 27 september 2022, heeft vermeld. De herstelwerkzaamheden waren al op 16 juni 2020 afgerond. Dat betekent dat het college het handhavingsverzoek van eiser van 19 oktober 2023, gelet op het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb, heeft mogen afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzing: het besluit op bezwaar van 27 september 2022.
19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling, waaronder de door eiser gevraagde verletkosten, bestaat geen aanleiding.
20. Het college heeft de rechtbank tot slot gevraagd om eiser te veroordelen in zijn proceskosten, omdat er sprake zou zijn van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht door eiser. De rechtbank komt echter niet toe aan een beoordeling hiervan. Het college heeft namelijk geen inzicht verschaft in de kosten die hij in het kader van deze procedure heeft gemaakt, zodat het verzoek al om die reden moet worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.
Afschrift verzonden aan partijen op: